Aan Bismarcks rokken

HANS-ULRICH WEHLER: Von der 'Deutschen Doppelrevolution' bis zum Beginn des Ersten Weltkrieges. 1849-1914

(Deutsche Gesellschafts- geschichte. Dritter Band) 1515 blz., C.H. Beck Verlag 1995, ƒ 124,45

De Duitse historicus Hans-Ulrich Wehler, hoogleraar algemene geschiedenis aan de universiteit van Bielefeld, geldt sinds zijn omstreden boek Das deutsche Kaiserreich uit 1973 als de kampioen van de 'Deutsche Sonderweg'-these. Kort gezegd komt deze visie erop neer dat in de periode 1871-1914 de fundamenten zijn gelegd voor Hitlers Derde Rijk.

Gezien de harde kritiek op Wehlers stellingen was menigeen benieuwd in welke mate hij in het derde deel van zijn kolossale 'Deutsche Gesellschaftsgeschichte', Von der 'Deutschen Doppelrevolution' bis zum Beginn des Ersten Weltkrieges. 1849-1914, bij zijn eerdere opvattingen zou blijven. Zijn grootste criticus was Thomas Nipperdey, die destijds Wehlers boek over het Duitse keizerrijk in een vernietigende recensie de grond boorde. Nipperdey heeft zich altijd fel tegen het '1933-perspectief' gekeerd en heeft voortdurend benadrukt dat het keizerrijk normaler, moderner, heterogener en ook minder autoritair was dan Wehler het voorstelde. Volgens hem waren er verschillende continuïteiten in de Duitse geschiedenis; de periode van het keizerrijk had een eigen waarde en was zeker niet louter voorgeschiedenis van het nazisme.

Wat in Wehlers nieuwe boek direct opvalt, is dat hij zich de kritiek wel degelijk heeft aangetrokken. Hij nuanceert meer en breekt onmiskenbaar de starre 'Deutsche Sonderweg'-these open. In de loop van de tijd heeft Wehler zich bevrijd van het deterministische keurslijf van het marxisme. In plaats van Karl Marx werd Max Weber zijn grote held. Hij gebruikt nu het begrip 'modernisering' als een overkoepelend concept om de gehele ontwikkeling in Duitsland vanaf 1800 tot de huidige Bondsrepubliek te beschrijven. Die modernisering voltrok zich ook in andere Westeuropese landen, maar Duitsland volgde daarin alleen maar een eigen weg.

Op overtuigende wijze verdedigt Wehler nu de stelling dat de stichting van het keizerrijk in 1871 niet het beginpunt is van Duitslands eigen weg, maar de benoeming van Otto von Bismarck tot minister-president van Pruisen in september 1862, toen die staat in een ernstige crisis verkeerde. Het zogenaamde 'Verfassungskonflikt' (1862-1866) - de strijd tussen de Pruisische koning en het parlement over legerhervormingen - was de belangrijkste etappe op weg naar de nationale eenwording. Met drie gewonnen oorlogen had Bismarck de nationaal-liberale beweging uiteindelijk voor zich gewonnen. Van een opportunistische politiek van de liberalen wil Wehler niets meer weten, want hun wens van nationale eenheid en algemeen mannenkiesrecht ging immers in vervulling. De samenwerking met Bismarck had de nationaal-liberalen niet de ruggegraat gebroken, zoals hij eerder stelde, maar gezamenlijk hebben zij in de jaren 1867-1877 de fundamenten van een moderne burgerlijke samenleving gelegd.

Toch was de balans voor de nationaal-liberalen niet uitsluitend positief, want tot de macht werden zij niet toegelaten. In hun taxatie dat de eenheid vanzelf meer vrijheid zou brengen, kwamen zij na 1878 bedrogen uit. De keerzijde van Bismarcks successen was namelijk dat de adel, de bureaucratie en het leger enorm aan belang wonnen. In plaats van een doorbraak naar het parlementaire systeem ontstond een 'autoritair corporatisme', waarmee Junkers en industriëlen van bovenaf de politiek in autoritaire zin wisten om te buigen, gericht tegen de 'Reichsfeinde' socialisten, katholieken en liberalen.

Veel gewicht hecht Wehler aan de conservatieve koerswijziging in 1878/79 toen Bismarck de liberalen liet vallen. Dit is volgens hem het fatale moment waarop de ontwikkelingen tot augustus 1914 kwamen vast te liggen. De invloed van de Rijksdag nam wel toe, maar de democratisering bleef uit. 'Obrigkeitsstaat', militarisme en 'Untertanen'-mentaliteit bleven in de politiek de hoofdrol spelen.

Charisma

Omdat Wehler nu meent dat het marxisme de rol van grote persoonlijkheden in de geschiedenis heeft verwaarloosd, gebruikt hij de 'idealtypische' constructie van Weber, de 'charismatische Herrschaft', om de machtspositie van Bismarck en de politieke cultuur in het keizerrijk te beschrijven. Geen 'Kanzlerdiktatur', geen constitutionele monarchie, geen bonapartistische 'Halbdiktatur', maar de charismatische heerschappij van een politiek genie, wil Wehler ons doen geloven. Hij noemt de 'ijzeren kanselier' niet zonder bewondering de meest succesvolle Europese beroepspoliticus van de negentiende eeuw. Door behendig bepaalde 'existentiële crisissituaties' op binnen- en buitenlands gebied zelf te creëren en vervolgens te overwinnen wist Bismarck zijn positie te versterken en zijn charisma uit te bouwen. Zo kon hij zijn onmisbaarheid aantonen en zijn macht extra glans geven.

Wellicht zijn er een aantal ongerijmdheden in het politieke gedrag van Bismarck mee te verklaren, maar overtuigend is het allemaal niet. Natuurlijk heeft de 'Realpolitiker' veel macht en talent gehad, in ieder geval meer dan zijn opvolgers, ongetwijfeld maakten de successen hem bijna onaantastbaar, maar dat kan ook van veel andere Europese politici gezegd worden. Wat hem bijvoorbeeld van een charismatische en 'visionaire' leider als Hitler onderscheidde, is dat hij zijn macht niet door een pseudo-religieuze band met de bevolking liet legitimeren.

Als rijkskanselier was Bismarck uiteindelijk altijd de dienaar van de keizer-koning en afhankelijk van hof, adel, leger en bureaucratie. Het was ook niet zijn charisma dat hem in 1890 in de steek liet, toen hij door Wilhelm II de laan werd uitgestuurd, zoals Wehler beweert. Vooral de persoonlijke en politieke tegenstelling met de nieuwe keizer deed hem de das om. Op deze manier plaatst Wehler, merkwaardig genoeg, Bismarck op een te hoog voetstuk en tegelijkertijd ook buiten de geschiedenis. Veel meer oog had hij moeten hebben voor het feit dat bij Bismarck traditie en moderniteit in één persoon verenigd waren; hij was een wonderlijke combinatie van een beetje sullige reactionaire Junker en een ambitieuze moeder van liberaal-burgerlijken huize.

Een ander kritiekpunt op de 'Sonderweg'-these is altijd het 'Primat der Innenpolitik', een stokpaardje van Wehlers kritische maatschappijgeschiedenis. Fel ging hij te keer tegen conservatieve historici die juist het 'Primat der Aussenpolitik' postuleerden. Ook in dit opzicht lijkt hij van standpunt veranderd. Hoewel hij nu spreekt van complexe wisselwerkingen tussen het binnen- en buitenlandse beleid is het alleen jammer dat hij nergens goed aangeeft hoe beide op het concrete politieke vlak elkaar hebben beïnvloed. Onverkort houdt Wehler vast aan zijn theorie van het sociaal-imperialisme, vooral om de 'Weltpolitik' en vlootpolitiek van Wilhelm II en Tirpitz te verklaren. Ondanks alle nuances - van een 'feodalisering' van de burgerij neemt hij nu afstand - blijft de 'Junker'-klasse voor hem de gebeten hond en kwam het Duitse imperialisme vooral voort uit de legitimiteitsbehoefte van deze oude machtselite.

Een van de zwakke kanten van Wehlers boek is het gebrek aan aandacht voor de Duitse kwestie in internationaal perspectief. De spanningen in de wilhelminische samenleving zijn deels te verklaren uit de onbevredigde verlangens die al met de totstandkoming van de klein-Duitse oplossing in 1871 gegeven waren. Voor Bismarck was Duitsland 'saturiert', dat wil zeggen dat er geen expansie meer mocht plaatsvinden en de status-quo in Europa gehandhaafd moest worden. In de ogen van de nieuwe generaties kon de Duitse natie alleen overleven door mee te doen aan het imperialisme. Dit gaf automatisch conflicten met andere landen als Engeland. De crisis in juli 1914 aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog ziet Wehler echter nog steeds in het licht van het basisdilemma van het Duitse keizerrijk: enerzijds geïsoleerd, 'eingekreist' door een vijandige coalitie van Fransen, Britten en Russen, en anderzijds onder druk van economische en politieke belangengroepen, wist de Duitse regering deze patstelling alleen maar door een vlucht naar voren op te lossen. Het was een kleine groep, in het nauw gedreven, politici en militairen die, even lichtzinnig als desperaat, bereid was om het risico van een grote oorlog te nemen in de ijdele hoop de bestaande politieke orde te kunnen redden. Wehler gaat echter grotendeels voorbij aan de ingewikkelde internationale constellatie, aan de mateloze zelfoverschatting van de Duitse leiding en ook aan de oorlogszuchtige stemming onder de bevolking.

Massacultuur

De harde kern van Wehlers visie blijft het gebrek aan 'synchronisatie' tussen de economische en politieke modernisering. Het spook van de materialistische onderbouw in het marxistische jargon waart nog steeds te veel rond. Weinig gevoel heeft hij voor de culturele 'bovenbouw', de religieuze, irrationele en mentale kant van de individuele mens of groepen van mensen. Geen enkel woord over hoe sociale processen en structuren en het menselijk denken en handelen elkaar beïnvloeden. Cultuur is voor hem slechts iets institutioneels en niet iets dat mensen van binnenuit beleven. Een analyse van de religie als cultureel verschijnsel, zoals bij Nipperdey, is bij hem ver te zoeken. Wat Wehler interesseert is de opkomst van de massacultuur, maar niet bijvoorbeeld de esoterische ideeën van de kring rond de dichter Stefan George. Friedrich Nietzsche komt in het verhaal nauwelijks voor en dat is, gezien de betekenis van deze filosoof, op zijn zachtst gezegd, onbegrijpelijk.

Alle genoemde kritiekpunten nemen niet weg dat Wehler een standaardwerk van hoge kwaliteit heeft geschreven. Bijna alle resultaten van jarenlang wetenschappelijk onderzoek zijn erin terug te vinden. De grote winst is dat de 'uitvinder' van de 'Sonderweg'-these zelf deze gedeeltelijk heeft opengebroken waardoor er ruimte is ontstaan voor nieuwe interpretaties. Een voordeel boven de boeken van Nipperdey is dat hij een buitengewoon uitvoerig notenapparaat heeft toegevoegd. Een bezwaar is dat Wehler zijn lezer op geen enkele manier spaart, het gevolg van zijn loodzware structurele aanpak. Dat geldt ook voor de noten waarin hij op een ongemeen scherpe wijze menig collega de mantel uitveegt. Ernstiger is dat de nadelen van het sociaal-historische 'paradigma' zichtbaar zijn geworden: de pretentie om een vorm van integrale geschiedenis te beoefenen is zeker niet volledig waargemaakt.

De moeilijkste taak waarvoor Wehler bij het volgende vierde deel (1914-1990) nog komt te staan, is uit te leggen welke plaats de Weimar-republiek inneemt in de continuïteit tussen het keizerrijk en het Derde Rijk. Het is de vraag hoe hij de twee kernvragen, waarom kon Hitler in 1933 aan de macht komen en hoe de ondergang van de Weimar-republiek is te verklaren, zal behandelen. De tweede vraag is waarschijnlijk te beantwoorden met zijn moderniseringstheorie en de negatieve rol van de Duitse pre-industriële elite van Junkers in de eindfase van de Weimar-republiek. Maar zal dit voldoende zijn om duidelijk te maken hoe en waarom de echte charismatische persoonlijkheid Hitler Duitsland in het verderf kon storten?

    • Frits Boterman