Tortilla-chips, zoutjes, crackers vetvrij

ROTTERDAM, 26 JAN. Deze week is een belangrijke nieuwe stap gezet in de verdere synthetisering van het dagelijks voedsel: de Amerikaanse Food and Drug Administration (FDA) gaf fabrikant Procter & Gamble toestemming om de synthetische vetvervanger Olestra op de markt te brengen. Waren er al coffeïne vrije koffie, suikervrije zoetjes, melkvrije koffiecreamer en alcoholvrij bier, binnenkort is er ook vetvrij vet. Nul-calorie vet, zoals sommigen het noemen. Fake fat, zoals anderen het zien.

Na acht jaar grondige bestudering van de resultaten van honderden proefnemingen met dieren en mensen, waaraan in totaal vele duizenden individuen hebben deelgenomen, heeft de FDA ten slotte goed gevonden dat het Olestra van Procter wordt gebruikt voor chips, tortilla chips, crackers en andere zoutige snacks. Procter zelf beoogde bij zijn verzoek tot toelating in april 1987 een veel breder gebruik.

Ook andere beperkingen moest de fabrikant van Ariel Ultra, Dreft en Pampers zich laten welgevallen. De FDA stelt als eis dat in opvallende etiketten wordt geattendeerd op aanwezigheid van Olestra en zijn bijwerkingen en gaf Procter bovendien de opdracht het patroon in consumptie van Olestra-produkten na de marktintroductie te bestuderen: post marketing monitoring. Binnen 30 maanden zal de FDA de bevindingen evalueren.

Maar het voornaamste succes is binnen: Olestra is toegelaten als voedingsmiddel. Dit jaar gaat het onder de merknaam Olean de fabriek uit, Procter zal er ook de eigen chips in frituren. Want dat is veruit de meest opmerkelijke eigenschap van het kunstmatige vet: het doorstaat verhitting evengoed als gewoon frituurvet. De hele reeks vetvervangers die al op de markt was kon alleen als vervanger van vet dienst doen in 'halvanaises' en 'halvarines'. Het zijn kwetsbare emulsies van vet of olie, of ook wel zetmeelachtige verbindingen, met veel water die dankzij goedgekozen emulgatoren een redelijke stabiliteit hebben maar onder temperatuurverhoging onverbiddelijk uit elkaar vallen. Er komt bij dat de vet- of zetmeelbestanddelen gewoon worden verteerd.

Pag.14: Olestra in darmen niet afgebroken

Olestra wordt in de darmen in het geheel niet afgebroken, kan daardoor ook de darmwand niet passeren en verdwijnt vroeg of laat onaangetast in het riool. Wat daar het lot is van het vet is een probleem voor de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Misschien dat zich toch micro-organismen aandienen die Olestra weten aan te pakken. Van de afbraakprodukten valt overigens weinig te vrezen: Olestra bestaat uit een tamelijk 'gewone' binding tussen sucrose (dat is gewone suiker) en plantaardige vetzuren.

Gangbare vetten zijn verbindingen tussen vetzuren en glycerol dat per molecuul drie bindingsplaatsen heeft voor de lange vetzuurketens. Zelfs bij volledige bezetting van die plaatsen blijft een tamelijk losse structuur over die goed toegankelijk is voor vetsplitsende enzymen in de darm. Glycerol heet een meervoudige alkohol maar zou met evenveel recht een eenvoudige suiker genoemd kunnen worden. In Olestra wordt de rol van glycerol overgenomen door sucrose dat acht bindingsplaatsen heeft. Procter schijnt er daarvan zes tot acht te gebruiken. In alle gevallen ontstaat een octopus-structuur waarop de enzymen geen vat krijgen. De algemene aanduiding voor het type verbinding is sucrose-polyester (SPE). Ook Unilever heet SPE-octrooien.

Al in 1971 diende Procter de eerste octrooi-aanvragen op de produktie van SPE's in. Pas in 1987 was voldoende onderzoek verricht om redelijke zekerheid te hebben over de beoogde werking en de mogelijke neveneffecten. Een belangrijke handicap was dat Olestra geen 'additief' is. De onschadelijkheid van additieven wordt gewoonlijk aangetoond door proefdieren een zware overdosering van het preparaat voor te zetten. Levert - bij wijze van spreken - het honderdvoudige van de verwachte dagelijks opname na enige maanden nog geen problemen op dan is in redelijkheid niet veel gevaar te verwachten. Bij stoffen die een hoofdbestanddeel van een voedingsprodukt moeten worden is niet makkelijk een overdosering aan te brengen. In het toelatingsonderzoek zal dan meer de nadruk op lange-termijnstudies komen te ligen. Zoveel tijd kostte al dit onderzoek dat Procter's voornaamste patenten dreigden te verlopen voor enige inkomsten uit de vinding waren verkregen. Uiteindelijk gaf het Congres toestemming voor een - ongebruikelijke - 'patent extension'.

Olestra heeft op zijn minst twee pijnlijke neveneffecten. Bij een (zeer) grote dagelijks opname van het materiaal raakt de darminhoud zozeer van vettigheid verzadigd dat de sluitspier er niet meer in slaagt onbedoelde lekkage te voorkomen. Een vrijwel permanente bevuiling van het ondergoed zou daarvan het gevolg kunnen zijn.

Een ander probleem is dat tal van nuttige vetoplosbare stoffen uit de voeding opgelost in Olestra kunnen worden afgevoerd. Voor de vetoplosbare vitaminen A, D, E en K is dat effect ook werkeijk in praktijk gevonden, overigens zonder dat gevaarlijke tekorten leken te onstaan. Toch is nu door de FDA voorgeschreven dat de genoemde vitaminen aan het middel worden toegevoegd. Consumentenorganisaties in de VS, die zeer gekant zijn tegen toepassing van Olestra, concentreren zich nu vooral op de ongewneste afvoer van vetoplosbare carotenoïden, plantaardige verbindingen die volgens statistisc oderzoek de kans op kanker iets zouden verkleinen. De FDA heeft Procter opgedragen ook de invloed van Olestra op de carotenoïden-opname nog verder te bestuderen.

    • Karel Knip