S.O.S.

Zelfs over mijn bed naast de verwarming blaast de kou door het raam. Slapen lukt niet.

Dat heb ik altijd de eerste dagen na oud en nieuw, maar dit jaar duurt het wel erg lang. Mijn hoofd zit te vol en nu komen er nieuwe geluiden bij. De strooiwagen rijdt langzaam en zwaar over de weg. Ik luister. Vlakbij slipt een auto door. Het lijkt wel of hij mijn kamer binnen loeit. Ik sla de dons van mij af en ga op mijn knieën op mijn hoofdkussen zitten. Als ik langs de dikke eik kijk, kan ik hem net zien. Hij doet erg zijn best om vanuit de zijstraat de hoek om te komen, maar het wil niet lukken. Er stapt iemand uit om te duwen. Die ligt binnen een seconde naast de stoeprand. Weer iemand. En nog één. Het wordt nu een slapstick. Alleen de lantaarnpaal staat nog rechtovereind. De auto is nu ook half van de weg gezakt. Niets helpt. De vier glibberen langs de tuinmuurtjes het donker in. Ik probeer weer te slapen. Met mijn ogen dicht zie ik toch voor de tweede keer de flitsen van de strooiwagen.

Als ik wakker word is het al half 10. Het voelt veel vroeger. Geen motoren, geen vrachtverkeer, niets. Op het midden van de weg strompelt een meneer met een zwarte bontmuts. Eerst denk ik dat hij een slee trekt, maar het is een tekkel die steeds op zijn buik van de bolle kant van de weg schuift. In de tuin vechten twee kraaien om de bevroren oliebollenresten. Verder is het stil. IJzig stil.

In de kamer naast mij hoesten mijn vader en moeder. Mij kan niets overkomen, ik heb al griep gehad. Ik douche, maak zelf mijn boterham en zet thee. Even buiten kijken. Het pad af, schuin naar beneden. In mijn rolstoel zit ik veilig, denk ik nog. Maar het laatste stuk glij ik recht op de muurtjes af. Ik kan ze nog net van me afduwen. Om de hoek komt een raar gekras. Het is de jongen met de reclameblaadjes. Pas als hij bij de buren het hekje opendoet, zie ik dat hij op zijn schaatsen loopt. In de verte hoor ik alweer strooigeluiden. Ik ga binnen maar eens even dat laatste stukje tulband scoren.

De huisdeur aan het eind van het tuinpad ligt hoger dan de straat. Ik neem een aanloopje en draai het pad op. Maar nee, veel verder dan het hek kom ik niet. Nog een keer. Beneden op het droge stukje onder de grote blauwspar probeer ik grip te krijgen. Even lijkt het te lukken, het hek komt voorbij, maar dan glij ik even hard weer terug. Ik kijk of ik de reclamejongen nog zie. Maar er is niemand. Ik roep. Geen beweging in het huis. Nog een keer proberen. Het heeft geen zin, ik blijf terugglijden. Net als ik heb besloten om dan maar op mijn knieën verder te gaan, verschijnt mijn moeder aan de deur. Tussen ons liggen de spiegelgladde tegels. Help! roep ik. Ze steekt een voet over de drempel maar trekt hem snel weer terug op de mat. Help!

Ik zie haar naar de hoek van de kapstok lopen. Ze komt weer terug met twee dassen, de lange zwarte van haar en de grijze smalle van mijn vader. Ze knoopt ze aan elkaar en gooit me de reddingslijn toe. Mis! Hij valt net naast mijn schoot. Nog een keer... Na drie worpen kan ik hem toch nog grijpen. Binnen trekt mijn moeder en buiten druk ik mij in het kussen van mijn rolstoel. Langzaam klim ik naar boven en met gejuich word ik binnengehaald.