Onderwijzer tussen dronken Lappen

In de tweedehandsboekhandel leest Marijke Höweler zestig beginzinnen van verramsjte boeken; uiteindelijk neemt ze er twee mee naar huis. “Zo'n aanhef houdt meestal in dat de lezer geacht wordt het jengelende verwende monster gedurende zijn hele verdere pedante leven te volgen, van mazelen tot kinkhoest.” Rubriek over boeken die ten onrechte in de ramsj zijn geraakt.

Libuse Moníková: Drijfijs. Uitg. Van Gennep, 228 blz. Prijs ƒ 12,95 bij De Slegte.

Cynthia Ozick: De Sjaal. Uitg. Van Gennep, 92 blz. Prijs ƒ 7,95 bij De Slegte.

Als schrijver is het niet nodig om op de fiets te klimmen en de Mont Ventoux te bestormen ten einde jezelf tegen te komen. Vaak is De Slegte al genoeg. Daarom kies ik meestal een schuine aanvliegroute bij het benaderen van de uitstaltafel om bij dreigende confrontatie uit te kunnen wijken. Maar vandaag bleek de kust zo veilig als wat en was het een troost te zien hoe ruim zestig bekwame literatoren elkaar in de ramsj hadden weten te ontmoeten. Ik besloot het systematisch aan te pakken en las hun zestig eerste zinnen. Om vervolgens aan het discrimineren te slaan op hoogst verachtelijke gronden zoals 'onprettig uiterlijk of minder fraaie bladspiegel.' Of, waar ik om even gewichtloze redenen een uitgesproken hekel aan heb, het met een letter aanduiden van namen en plaatsnamen. Om maar te zwijgen van een start die me ronduit bedreigend voorkomt: 'Midden in de zomer bereikten wij de gouvernementsstad Kazan. Ik was zes jaar.' Deze aanhef houdt meestal in dat de lezer geacht wordt het jengelende verwende monster gedurende zijn hele verdere pedante leven te volgen, van mazelen tot kinkhoest, van vlindervangst tot syfilis. Zonder zijn begrafenis mee te mogen maken, want die genoegdoening wordt je in het Russische zelden vergund.

Nee, dan maar liever het kleine boekje met de montere en kordate beginzin: 'Rosa Lublin, een krankzinnige voddenraapster, gaf haar winkel eraan - ze sloeg hem zelf kort en klein - en verhuisde naar Miami.' Maar ja, het was dus wel een beetje dun. Daarom schafte ik me ook het wat lijviger werk Drijfijs aan. Deze roman van de Praagse Libuse Moníková, leek zich gezien de beginzin, in Groenland af te gaan spelen. Ik was benieuwd hoe het verder zou gaan met de beschonken onderwijzer die de kleine dronken Lappen aan het vertellen was over de bouw van Shakespears eerste schouwburg in Londen. Thuisgekomen, bleek al gauw dat de onderwijzer, een Tjechische balling, zich opmaakte om naar Oostenrijk te vertrekken, een lichte tegenvaller die werd goedgemaakt door zijn ontmoeting met een lotgenote. Hun beider ballingschap vormt de kern van hun verbintenis. Zij dwalen door het Oostenrijkse en Italiaanse landschap en laten geen bezienswaardigheid onbesproken en geen weetje naar aanleiding daarvan blijft de lezer bespaard. En omdat ik nog steeds geen parallel kan ontdekken tussen hun innerlijke en hun uiterlijke belevenissen begint het boek meer en meer het karakter van een reisgids te krijgen, waarbij de hoofdpersonen elkaar voortdurend aan 't overhoren zijn: ' “Van welke koning is in Praag iets blijvends terug te vinden?”

“Van Karel IV.”

“Natuurlijk, de universiteit, de stenen brug, het Karelsplein, het grootste van Europa.” Prantl schokschoudert.

“Zo groot vind ik het helemaal niet”, zegt Karla nadenkend.' Enzovoort en zoverder. Het probleem lijkt dat de beide mensen zo geschokt en ontworteld zijn dat zij er alleen nog maar door het uitwisselen van kennis en gemeenplaatsen over kunnen praten. Daardoor wordt het boek als een machteloze film over onmacht. Het brengt je in de verleiding om met Tom Lehrer te denken: 'I feel, if a person cannot communicate the very least he can do is to shut up.'

Maar dan is er nog redding: het dunne boekje. De sjaal van de Amerikaanse Cynthia Ozick, verhaal en novelle, het blijkt een klein juweel. Hierin wordt na een uiterst korte samenvatting van een gruwelijke gebeurtenis die plaats vond tijdens de holocaust, de levenslange consequentie daarvan verteld. Het onderwerp, de sfeer en ook de omvang doen denken aan De glazen brug van Marga Minco. Wat het extra interessant maakt is dat we hier te doen hebben met een schrijfster van de tweede generatie. De afstand is hierdoor groter en het zicht lijkt er helderder door te worden. De vrouw die al haar familieleden verloor op een nichtje na, vestigt zich in Miami, zo ver mogelijk van haar laatste bloedverwante verwijderd. Het nichtje stelt alles in het werk om het verleden te vergeten. Rosa, de hoofdpersoon, ziet geen toekomst meer. Niettemin is ze financieel afhankelijk van het nichtje dat haar dringend aanraadt het verleden te vergeten en net als zij vooruit te kijken. De schrijfster weet het zonneklaar te maken waarom en hoe de twee enige overlevenden uit een familie elkaar niet meer kunnen bereiken om de eenvoudige reden dat de overlevingsstrategie van de een tegengesteld is aan die van de ander. De ingrediënten zijn uiterst simpel: een zwijgzame vrouw, een sjaal, een wasserette, een hotelkamertje, een brief zo af en toe. Maar hier zijn de gebeurtenissen zo gerangschikt en is het sobere taalgebruik zo effectief dat alles bijdraagt tot de beklemming die uitgaat van mensenlevens waarin de ziel verwoest werd, terwijl het hart bleef kloppen.

    • Marijke Höweler