Indianen willen liever vogels zijn; Charlotte Mutsaers' taalkundige trapezesprongen

Charlotte Mutsaers: Paardejam. Uitg. Meulenhoff, 212 blz. Prijs ƒ 39,90.

Paardejam. Het is een woord om langzaam op de tong te proeven, ogen dicht. Het heeft iets zachts en glads en lillends en toch ook iets vezeligs, om niet te zeggen harigs, als in paardestaart of paardetouw. Het roept gedachten op aan weckpotten, maar eetbaar wil het maar niet worden. Wat kan het zijn?

Een woord, herhaalt Charlotte Mutsaers droogjes. Ze kent het van René Magritte, die ooit een potje confiture de cheval tekende, en krijgt het voor de geest als ze een advertentie ziet waarin een man, staande naast een hoogblond paard, vertelt dat hij met zeker merk geleisuiker verrukkelijke jam bereidt. Wat zou dat paard daar doen, vraagt ze zich af. Men hoopt de vinding van Magritte toch niet in de praktijk te brengen? 'Sommige woorden evenals sommige beelden duiken gewoon in sommige hoofden op en bevatten geenszins de ingebakken invitatie om tot werkelijkheid te worden omgezet.'

Dat is zoveel als een belijdenis, meteen al op de eerste pagina's van Paardejam. De 26 stukken die hier volgen, overigens voor een deel in deze krant verschenen, vinden weliswaar hun aanleiding in de werkelijkheid, maar vliegen daar zo gauw het kan uit op. Ze zoeken het niet bij de zwaarte en de waarheid van de wereld, bij onthullingen of zelfs maar bij ideeën, ook al zijn die niet per se verboden, ze genieten van de lichtheid en de fantasie en spelen met ritme en stijl. De trapezesprongen van grammatica en woordbetekenis, dat is waar Mutsaers in glorieert, een virtuoze evenwichtskunst boven het ravijn van onze taalconventies. Kunst, voor haar, is vorm.

Maar vorm, bij haar, is inhoud.

Paardejam sluit aan op de traditie van haar vorige essaybundels, Kersebloed en Hazepeper. Waar haar oog ook op mag vallen, een stilleven van Bonnard, een kwal van kleurig glas, een kalf dat bij zijn laatste snik de lens in kijkt, een stapel brandhout uit het bos, of zeep en broodkruim in een boek van Francis Ponge, het is haar onveranderlijk te doen om het verborgen, zwijgende bestaan van dier en ding - van haas en peper zogezegd, van kers en bloed en paard en jam. Haar woorden gaan waar zelden woorden komen.

Zo opent ze een wereld vol van stille, half vergeten verrukkingen. Open haarden gloeien, vachten glanzen, taarten geuren, bomen groeien en de tranen van de schrijfster vloeien bij al dat klinkklaar schaamteloos geluk. Haar zintuigen staan scherp, ze laat de warmte van het haardvuur 'regelrecht naar binnen stromen, tot daar waar zelfs het licht niet komen kan', terwijl de regen buiten koud en woest tegen de ruiten slaat. Dit is voor haar het ware leven, lijfelijk, concreet, de dingen zijn eenvoudig wat ze zijn.

Kom daar eens om bij mensen, hoort de ingevoerde lezer haar al zeggen, want de mens heeft in haar werk een slechte pers. Hij haalt met zijn abstracties al het sap en bloed uit het bestaan en ruilt zijn haardvuur in voor connotaties. ('Wat voor connotaties? Haard-, hout- en hondconnotaties uit de moderne wereld.') Alles staat bij hem voor iets, onthult iets of verhult iets, zelfs zijn uiterlijk past hij voor iedere gelegenheid weer aan. Een dier is zijn gezicht, een mens trekt een gezicht. Je voelt de leugen loeren.

Die afkeer van de medemens verklaart misschien de bijterige toon die Mutsaers wel eens aanslaat - ook de lezer is per slot een mens. Ze valt zichzelf soms in de rede om een tegenwerping te bestrijden die nog lang niet bij je opgekomen was, ze heeft het over oorlog in de kunst en oppositie, er hangt dreiging in de lucht. En het verklaart beslist ook het verterende van haar verlangen naar de wereld van de dieren en de dingen, een verloren paradijs, de hof van Eden. Oog in oog met indianentooien raakt ze overtuigd dat Indianen in hun hart een vogel willen zijn. Op schoot met The Dog in Art from Rococo to Post-Modernism overvalt haar het idee dat menig kunstenaar een hond wil zijn. En denkend aan het oude blijspel Toontje heeft een paard getekend komt ze in de allerlaatste bladzijden ten slotte tot haar vraag der vragen. Hoe wordt men een paard?

Daar komt de kunst bij kijken, dat had ze als meisje blijkbaar al begrepen. Dol als ze van jongs af aan op paarden was, probeerde ze die naderbij te brengen door ze uit te tekenen - met haar als ruiter uiteraard, want paard en ruiter zijn één. In later jaren stoorde ze zich echter meer en meer aan de beperkingen van de techniek. De tekenpen kon weinig aan met geuren, raadsels en gevoelens, ze bleek niet bij machte de versmelting met haar rijdier weer te geven, en zo kwam ze tot een nieuwe strategie: ze zou het met woorden proberen.

Woorden in de vorm van een paard.

Die bestaan, daar is voor haar geen twijfel aan. Een zin kan draven als een schimmel, een alinea kan niet alleen iets laten zien maar ook iets zijn. Het gaat erom niet te beschrijven, in de trant van beschilderen, zo'n beetje aan de buitenkant, maar werkelijk van binnenuit te schrijven. Je moet het dier in taal belichamen - en aangezien je als het goed is ook meteen jezelf in taal belichaamt, dat is immers wat een schrijver doet, moet de conclusie luiden dat je bij het slijpen aan je zinnen langzaam opgaat in een paard van taal.

Hoe een en ander in praktijk gebracht kan worden, weigert ze de lezer prijs te geven - de uitkomst van de proef is terug te vinden in de tiende 'plooi' van haar roman Rachels Rokje, waar een paard bij de heldin op schoot probeert te klimmen. Maar de stijl van Paardejam licht al een tipje van de sluier op. In het betoog verborgen ligt een springerig patroon van klank- en beeldrijm en verbale grappen. Gaat het over paarden en hun indrukwekkende formaat, dan komt ze op 'Petit', de naam van haar eigen paard, daarna op 'Grand', de held uit De pest van Camus, die ook een paard wil schrijven, op 'petit artist', als woord voor haar onmacht met de tekenpen, en zo verder. Alles wat een ander overdrachtelijk zou zien maakt zij concreet, soms zo concreet dat het aan klankpoëzie doet denken, taal om de taal. Het is eenvoudig wat het is.

Door die aandacht voor het letterlijke woord, het ding, verandert ook de tekst in zijn geheel van lieverlede in een ding, misschien zelfs wel een ademend ding, een dierending. Het zit ten slotte als een paard van Troje in je hoofd -voor je precies beseft wat je gebeurt word je ontwapend van abstracties en neemt het concrete het over. Dat is de magie van Mutsaers' spel met de taalvorm: de verbeelding krijgt een bijna stoffelijke werkelijkheid. Je leest iets dat je literatuur zou kunnen noemen, maar met evenveel recht ook tweede natuur. Paardejam bestaat.

UIT: CHARLOTTE MUTSAERS, PAARDEJAM

De pikeur zou het op prijs stellen als ze er eens aan dacht dat je bij het paardrijden toch het allerbest in een echte rijbroek gekleed kunt gaan, zoëentje met flappen opzij.

Ze vraagt waarom, want het gaat ook goed in een gewone recht-toe-recht-aan broek van spijkerstof. Waar dienen die flappen dan eigenlijk voor?

De pikeur antwoordt dat je er een heel speciaal soort wind mee vangt.

Ga je daar harder door?

Nee, harder niet - de ware dressuur heeft trouwens evenals het normale leven niets met hardrijderij uit te staan - het is meer het gevoel. Kleine meisjes die dat hemelse gevoel nooit aan den lijve hebben ervaren, deden er verstandig aan hun mond niet zo makkelijk te roeren.

    • Hans Goedkoop