Inburgering frustreert kansen van nieuwkomers

De manier waarop de Nederlandse overheid beter opgeleide asielzoekers bejegent, is ondoelmatig, ondoeltreffend en getuigt van weinig ondernemerszin, vindt K. Bleichrodt. Het beleid bemoeilijkt hun inburgering en bevordert hun sociale uitsluiting.

Deze maand is het inburgeringsbeleid van start gegaan. Op grote schaal worden op gemeentelijk niveau inburgeringscontracten afgesloten. Het is een grote stap vooruit dat de overheid op dit punt een actief beleid inzet. Echter, nu al is zichtbaar dat deze aanpak voor een substantiële groep van de nieuwkomers ondoeltreffend en ondoelmatig zal zijn.

De ontwikkeling in de afgelopen jaren van het aantal asielzoekers in Nederland heeft ertoe geleid dat vluchtelingen inmiddels een grote groep vormen onder de nieuwkomers. Uit cijfers van het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid blijkt dat de integratie van deze categorie zorgen baart: Bureau Regioplan berekende voor het ministerie dat circa 75 procent van de asielzoekers twee jaar na statusverlening nog afhankelijk is van een bijstandsuitkering.

Daar staat tegenover dat uit onderzoek blijkt dat de kansen van vluchtelingen die in Nederland een volwaardige vervolgopleiding hebben afgerond, aanzienlijk groter zijn. Uit gegevens die de Stichting voor Vluchteling-Studenten UAF ter beschikking staan, blijkt dat van de vluchtelingen die in 1993 in Nederland een wetenschappelijke, hogere beroeps- of middelbare beroeps-opleiding hebben afgerond inmiddels ruim 90 procent een baan heeft. Van de afgestudeerden uit 1994 heeft inmiddels ruim 80 procent een baan.

Dit opmerkelijke verschil is een sterke aanwijzing dat het volgen van onderwijs in belangrijke mate bijdraagt tot het succes van inburgering. Desondanks dit grote belang van studie in het inburgeringsproces worden van de kant van de overheid voor een aanzienlijke groep nieuwkomers beletsels opgeworpen om een studie te volgen. Ik noem er drie.

Ten eerste. Vluchtelingen die een zogenaamde C-status (een verblijfsvergunning op humanitaire gronden) hebben gekregen, hebben geen recht op studiefinanciering. Ze hebben pas recht op studiefinanciering op het moment dat ze drie jaar in Nederland zijn. Een onwenselijke situatie, want het betreft hier wél een categorie mensen van wie het bevoegd gezag heeft bepaald dat ze onvoorwaardelijk zijn toegelaten en dat ze duurzaam in Nederland mogen verblijven. Het onthouden van het recht op studiefinanciering staat haaks op de hoofddoelstelling in het minderhedenbeleid, die inhoudt dat éénmaal duurzaam tot ons land toegelaten vreemdelingen gelijke rechten dienen te krijgen op overheidsvoorzieningen.

Dat het niet om een enkeling gaat, blijkt uit cijfers van de Centraal Orgaan opvang Asielzoekers (COA). Vorige maand waren er vierduizend houders van de C-status in Nederland in de leeftijdscategorie 18-27 jaar, die korter dan drie jaar in Nederland zijn. Vierduizend mensen die tot Nederland zijn toegelaten, moeten inburgeren en geen recht op studiefinanciering hebben.

Ten tweede. Het vluchtelingenbeleid kende en kent tal van statussen voor toe te laten vluchtelingen: A-, B-, C-, gedoogden-, ontheemden-status en sinds 1994 mensen met een voorwaardelijke vergunning tot verblijf (VVTV'ers). Deze mensen hebben geen recht op studiefinanciering. Voor hen bestaat een 'gefaseerd integratie-programma': het eerste jaar mag men taalonderwijs volgen, het tweede jaar mag men kortdurend werk verrichten en in het derde jaar bestaat er toegang tot de arbeidsmarkt. Is de situatie in het land van herkomst na drie jaar ongewijzigd, dan kan men alsnog een C-status krijgen. Maar in die drie jaar is het uitgesloten dat men met behulp van studiefinanciering een studie in Nederland volgt en zich op deze wijze richt op integratie.

Vorige maand waren er circa tweeduizend VVTV'ers in de leeftijdscategorie 18-27 jaar. Tweeduizend mensen aan wie verblijfsrecht is verleend, waarbij grote kans bestaat dat zij duurzaam in Nederland zullen verblijven en moeten inburgeren, maar die geen recht op studiefinanciering hebben.

Het derde punt heeft betrekking op het volstrekt niet aansluiten van het inburgeringstraject op het vervolgonderwijs. Er zit een fors gat tussen de eindtermen van het inburgeringstraject en de aanvang van het vervolgonderwijs.

Voorbeeld: het 500 uurs educatief-traject uit het inburgeringscontract (Nederlandse taal, maatschappelijke oriëntatie en beroepenoriëntatie) heeft een eindniveau dat ten enen male onvoldoende is om te starten met regulier vervolgonderwijs. Om in te stromen in dit vervolgonderwijs is (tenminste) één jaar 'schakelonderwijs' nodig. Echter, een vorm van studiefinanciering voor het volgen van dergelijk onderwijs is er niet. Veel mensen trachten vervolgens een dergelijk 'schakeljaar' te volgen met behoud van uitkering. Maar dat wordt in veel gemeenten onmogelijk gemaakt. Studeren mag niet met een uitkering, er is sollicitatieplicht en als je studeert ben je niet beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Kortom, een traject naar vervolgonderwijs wordt langs deze weg feitelijk geblokkeerd omdat een vorm van financiering ontbreekt.

Tot welke wonderlijke taferelen de weigering van toestemming om (kort) met behoud van uitkering te studeren kan leiden, kan geïllustreerd worden aan de hand van een enkel voorbeeld: Iraanse arts (32), vluchteling, diploma wordt in Nederland niet erkend, te oud voor een studiebeurs. Op basis van zijn vooropleiding kan hij instromen in de co-schappen, daarmee kan hij in twee jaar basisarts zijn, waarbij de Nederlandse samenleving dus met een geringe investering een arts rijker is. Er is een vrijwel honderd procent baangarantie (Nederland zit te springen om allochtone artsen), echter het arbeidsbureau en de sociale dienst weigeren toestemming voor studie met behoud van uitkering. Een reëel alternatief wordt niet geboden.

Deze kortzichtige, geldverslindende zuinigheid leidt tot de situatie waarin men geen beroepskwalificatie heeft, niet herkenbaar is voor de arbeidsmarkt, de kans op werk naarmate men langer in de uitkering zit met de dag kleiner wordt en de kans dus groot is dat men veroordeeld wordt tot de eeuwigdurende bijstand. Kortom, bij uitstek een recept voor sociale uitsluiting.

De miskenning van de rol van studie in het inburgeringsproces leidt tot één bepaalde vorm van inburgeren, namelijk inburgeren aan de onderkant van de samenleving. De in te burgeren nieuwkomers worden door de beleidmakers gezien als een amorfe massa die niets kan, die niets wil en die met een contract tot een verplichting moeten worden gedwongen.

De dagelijkse werkelijkheid laat een heel ander beeld zien: onder de vluchtelingen bevinden zich veel goed opgeleide high potentials, die niet geschikt zijn om te worden ingezet als stadswacht, huismeester of tramconducteur. Het zijn talentvolle mensen die veel kunnen, die veel willen, maar die stuiten op een overheid die weinig wil en weinig durft.

Voor deze groep is het nu in gang gezette inburgeringsbeleid ondoelmatig, ondoeltreffend en getuigt het van weinig ondernemerszin. Ondoelmatig, omdat de sociale diensten kansrijke trajecten blokkeren waardoor mensen in relatief dure uitkeringen blijven, waardoor de kans op werk steeds kleiner wordt. Ondoeltreffend, omdat de beperkende regelgeving gerichte uitstroom naar vervolgonderwijs belemmert. En van weinig ondernemersgeest getuigend, omdat de BV Nederland in deze mensen niet durft te investeren. Daarmee doet de BV Nederland de betreffende nieuwkomers, maar ook zichzelf, behoorlijk wat schade.

    • K. Bleichrodt