Gun de tandarts een rozenkwekerij

Johan Schaafsma: Non Dacapo. Uitg. Vassallucci. 92 blz. Prijs ƒ 29,90.

Wat wil de mens met zijn leven? Deze fundamentele vraag stelde Johan Schaafsma al in zijn debuut, Ontaarde cirkels (1993), maar blijkbaar bevredigde het antwoord hem niet. Zijn tweede roman, Non Dacapo is er in zijn geheel aan gewijd. Het menselijk leven wordt voorgesteld als een slingerbe-weging, te vergelijken met de beweging die de slinger van Foucault maakt. Het beeld van een gestaag voortdeinende mensheid heeft wel iets geruststellends, maar daar wordt in dit boek heel anders over gedacht. De slinger van Foucault, die hier als personage wordt opgevoerd, moet niets hebben van dat cyclische gedoe en heeft zichzelf stopgezet, om een voorbeeld te stellen. Hij vindt dat er een doel, een gemeenschappelijk plan geformuleerd moet worden om aan het wezenloze gecirkel een eind te maken. Hij spreekt de mensheid hartig toe: “Het lijkt wel alsof jullie, aangekomen op oudejaarsdag, daar steeds een dacapo zien staan, zodat het nooit tot bezinning komt, zodat het nooit tot het stellen van de grote vraag komt, maar het nieuwe jaar een kopie wordt van de voorgaande jaren, zodat jullie in januari alweer reikhalzend uitzien naar de nieuwste badmode, de vakantie alvast plannen en uitzoeken waar statistisch gezien de kans op sneeuw in februari het grootst is.”

Non Dacapo, dat is niet alleen de titel, maar ook het strenge refrein van het boek. Herhaling is uit den boze. Het leven heeft een begin en een einde en daar moet naar gehandeld worden. Het is een grappige omkering die Schaafsma zich veroorlooft, want in de literatuur is het meestal het cyclische levensprincipe dat wordt verdedigd tegen het 'ouderwetse' geloof in een rechtlijnig tijdsverloop. Maar overigens is Non Dacapo een typisch schrijversproject, waarin niet zozeer een verhaal wordt verteld, maar een idee ten uitvoer wordt gebracht. Dat idee moet wel ongeveer luiden, dat men pas oog krijgt voor beweging als men stilstaat, en dat uit stilstand nieuwe beweging kan ontstaan. Dat klinkt misschien wat steriel, maar Schaafsma heeft zijn gedachtenexperiment volop leven weten in te blazen - alleen al door zijn luchtige toon en zijn glasheldere manier van schrijven. Bovendien heeft hij een fijne neus voor het combineren van abstract en concreet, algemeen en individueel, verheven en alledaags.

Zes doodgewone burgers krijgen de opdracht om een gemeenschappelijk plan te verzinnen om de mensheid uit haar cyclische verstarring te verlossen. Deze 'aangewezenen' nemen daarbij hun eigen ervaringen als uitgangspunt. Een visser meent dat we terug moeten naar het water, weg van de verfoeilijke 'landmentaliteit'. Een metselaar die zingt in zijn vrije tijd, ziet heil in een 'aardeomspannend koor'. Een bejaardenverzorgster, die dagelijks te maken heeft met aftakelende mensen, propageert een mooi slotakkoord, al of niet met 'droompil'. Een herintredende vrouw is van mening dat de mensen niet teveel moeten vasthouden aan hun ene, toevallige beroep. “Gun daarom de tandarts zijn rozenkwekerij (-), laat een vermoeide leraar Duits eens een tijdje palingvisser zijn.” De aangewezenen doen montere en vredelievende voorstellen, maar ze worden geen van alle gehonoreerd. Want de mensheid wil eigenlijk niets. Zij wil leven zoals ze het altijd al heeft gedaan: met het verstand op nul en de blik op oneindig.

    • Janet Luis