God houdt zich verborgen; Shusaku Endo en de verleiding van de zonde

Voor de katholieke Japanse schrijver Shusaku Endo is zonde niet de overtreding van een verbod, maar een fout maken die je niet wilt maken. Juist door de fascinatie die daarvan uitgaat wordt Endo's alter-ego Suguro in de roman 'Het schandaal' verleid zich over te geven aan uitspattingen. “Hij maakt mee, deze keurige vijfenzestigjarige, hoe het voelt om een jonge, in slaap gebrachte vrouw te willen wurgen.”

In de roman Het schandaal van de beroemde katholieke Japanse schrijver Shusaku Endo is de hoofdpersoon een beroemde katholieke Japanse schrijver. Suguro heet hij. Op zeker moment wil een jonge man een handtekening van hem hebben. Hij vertelt de schrijver stralend dat hij volgende maand gedoopt gaat worden. Ik heb, zegt hij, mijn geloof te danken aan uw werk.

Endo schrijft: 'Suguro wendde zijn blik af. Het idee dat de jongen geïnspireerd door zijn romans vreugde in zijn werk vond, bedrukte hem zeer. Hij wendde zijn blik af, maar de gemaakte glimlach bleef hem over de wangen spelen. De glimlach die hij thuis vertoonde en op straat, aan lezers die hij passeerde... Suguro was helemaal niet blij. Zijn boeken gaven dus richting aan het leven van een mens. Suguro vond dat te ver gaan. Hij had zijn romans niet geschreven om iemand te bekeren.'

Velen die in Nederland Endo zijn gaan lezen na het enthousiaste stuk in deze krant over zijn roman Diepe Rivier van Bas Heijne een half jaar geleden, zullen kunnen navoelen welke verering de jonge man voor Suguro koestert. Natuurlijk valt Endo niet volledig samen met zijn hoofdfiguur, maar de jonge man wel enigszins met de lezer, ook als die zich niet naar de dichtst bijzijnde priester heeft gespoed om zich te laten dopen. Je begrijpt terstond dat Suguro's beschaamde, bijna verstikte, bozige reactie je een raadsel opgeeft.

Er is iets strijdigs aan religieuze literatuur van dit kaliber. Endo's werk staat in een traditie die begonnen is met de paradoxale poging van Pascal om, met de Pensées, een denkbeeldige, skeptische, rationele tegenstander te overtuigen van een God, wiens bestaan niet alleen onbewijsbaar en onkenbaar is, maar die zich bovendien willens verborgen houdt. Pascal is bezeten van overtuigen, maar weet tegelijkertijd zeker dat alleen zijn God overtuigend is. 'Het hart heeft zijn redenen die de rede niet kent'. Het is uitgesloten dat je met argumenten iemand kunt bekeren; tegelijkertijd is deze onmogelijkheid precies het argument waar Pascal zich uiteindelijk van bedient. Ik weet niet in hoeverre Endo's religieuze noties die van Pascal overlappen, maar het is duidelijk dat hij in een religieus-literaire traditie staat waar ook Kierkegaard, Dostojevski, Julien Green, sommige verhalen van Graham Greene en essays van W.H. Auden deel van uitmaken. God is voor hen een deus absconditus, een verborgene.

Het draait in het werk van zulke schrijvers om de verandering die het besef van deze oneindig verre, oneindig onberedeneerbare God voor een leven betekent. Het woord 'besef' is ogenblikkelijk kwestieus, want het belooft dat je er met je benul ooit bij zult kunnen. Het wordt bij allemaal in mindere of meerdere mate een ervaring genoemd - maar dat klinkt al veel te mystiek. Pascal heeft bij voorbeeld zelf zijn eerste ervaring op dit gebied altijd verborgen gehouden. De beschrijving ervan is na zijn dood gevonden, een stukje papier genaaid in zijn, naar verluid, sjofele en afgedragen jas. Van de andere genoemde schrijvers zijn geen visioenen bekend.

Wat zulk besef of zo'n ervaring betekent is misschien te vergelijken met wat sommige mensen gebeurt wanneer er een nabij iemand is gestorven. Dood is dood, dat is uittentreure bekend. En toch stelt de onherroepelijke verdwijning van dat wat we leven noemen uit iemand die toch nog in dezelfde kamer aanwezig is een vraag. In veler ogen is het een absurde, zinledige vraag. Waar is hij nu? En het is denkbaar dat je daar een al even absurd antwoord geeft: hier. In mijn gedachten. Dat antwoord is alleen waar als je vervolgens ook de nagedachtenis levend gaat houden - iets wat beslist op geloven lijkt. Net als God is de dode afhankelijk geworden van je wil, die soms ook de vorm aanneemt van een voornemen, en een verlangen uitdrukt dat je nooit zult vergeten. De wil om te herinneren is niet hetzelfde als geloven, maar maakt wel duidelijk dat God afhankelijk is van deze wil.

Het is een cirkelredenering, want er volgt uit dat geloven het gevolg is van willen geloven, en daar is, tot razernij van veel atheïsten, geen biet aan te doen. Zelfs Frans Kellendonks opvatting van geloof, als een vorm van 'oprecht veinzen', biedt hier geen hulp. Atheïsten- razernij is gerechtvaardigd waar het gaat om gelovigen die op grond van hun wil allerlei zekerheden proberen te slijten - maar deze razernij delen zulke atheiïsten om te beginnen met Pascal, die met zijn Provinciaalse brieven (geschreven na de eerste Pensées) voor eens en voor altijd het woord Jezuïtisch zijn hatelijke bijklank heeft gegeven.

Dat God afhankelijk is van de wil, is een van de klemmendste onderwerpen van religieuze schrijvers. Endo's hoofdpersoon van Het schandaal wordt fysiek onpasselijk bij de gedachte dat hij de jonge man bekeerd zou hebben. Endo gelooft in zonde, die om te beginnen zwakheid is en afstand tot God. Er zit aan zijn wereldbeeld een Jobse kant. Waarom maakt God, door zo volstrekt verborgen en eindeloos ver te zijn, het je zo moeilijk om zelfs maar te willen geloven dat Hij rechtvaardig is, waarom staat Hij niet toe dat ik in direct contact met hem treed, om eens een verhelderend gesprek te hebben? De onmetelijke afstand maakt het tegelijkertijd onmogelijk om aan te nemen dat het lijden van zijn personages een persoonlijke straf zou zijn. 'God is niet betrouwbaar of onbetrouwbaar', schrijft de filosoof Kolakowski, 'Je kunt nooit rekenen op goodwill'.

Zonde is bij Endo niet zozeer een overtreding van een verbod, als wel: de fout maken die je niet wilt maken. Voor de meeste Europese lezers van zijn allermooiste verhaal Shadows (uit The Final Martyrs, een bundel die alleen in het Engels verkrijgbaar is), is het gegeven dat een priester trouwt geen zonde. Maar Endo dramatiseert niet systematisch de stelregels van zijn Kerk om te laten zien wat mag en wat niet. Zelfs is hij er niet op uit om te laten zien hoe moeilijk het is om ze na te volgen. En al helemaal houdt hij geen pleidooi voor een instituut waarin priesters eigenlijk maar beter zouden kunnen trouwen. Dogma's van dat kaliber interesseren hem niet. Het gaat hem om de raadselachtige, kwellende wil, en haar duistere broer: het verraad. Dat de priester trouwt is hier plotseling schokkend omdat de verteller zich zo grondeloos verraden voelt, terwijl je als lezer beseft dat de priester verkeert in een al even grondeloze agonie. Er wordt een wil gebroken, de man drijft tussen de regels van de verteller door, onomkeerbaar in de richting van iets wat hij niet wil, en toch wil. Het komt er op neer dat Endo een soort spel speelt met je mededogen, en dat vind ik het hoogste wat een verteller bereiken kan. In de wereld volgens Endo is er niets erger dan de crisis die heerst in het hart van de priester. Hij weet immers als geen ander welke sensatie van verraad de verteller ondergaat. 'Geloof in me', zegt hij op gegeven moment - terwijl zijn wil gesloopt wordt. Het wordt nergens in het verhaal gezegd, maar via de verteller besef je dat er een worsteling gaande is, ergens in het donker, Jakob-achtig, bij een pikzwarte rivier, met een tegenstander die in feite zijn dubbelganger is.

Er is geen enkele redenering, geen enkele wetenschappelijke theorie, geen enkel psychologisch inzicht waaraan je de zekerheid kunt ontlenen dat je niet als Endo's priester zult worden - en dat je op zeker moment toch zult doen wat je heilig gezworen hebt nooit te zullen willen. Dat de lezer doorgaans zelf geen priester is, en dus nooit beloofd heeft nimmer te trouwen, is van geen belang. Er is geen leven zonder morele binding, en morele bindingen bestaan niet zonder de wil ze te onderhouden. Er is niets dat je ooit de zekerheid geeft dat je nooit de nederlaag zult lijden die zoveel personages van Endo lijden. Ook het geloof niet - en toch komt het Endo, en de schrijvers van zijn traditie, voor als was God uiteindelijk degene die je wil zou kunnen helen, om een sleutelwoord van Pascal te gebruiken.

Dit maakt de hoofdpersoon van Het schandaal op het misselijke af droevig bij de gedachte dat zijn boeken iemand bekeerd zouden kunnen hebben. Hij verkeert in de positie van de priester uit zijn eerdere verhaal: sinds enige tijd vecht hij tegen de sloop van zijn wil. Hij is vijfenzestig en altijd ziekelijk geweest; om hem heen sterven zijn collega's; hij verkeert in een toestand van sluipende doodsangst. Bovendien is hem gebleken dat iemand die sprekend op hem lijkt publiekelijk allerlei obscene dingen doet waarvan hij nooit heeft kunnen dromen. De plot van deze dubbelganger is getuige Jakobs worsteling, bijbels. Suguro's angst voor de dubbelganger wekt ook het verlangen om zich in te leven in zijn dubbelganger - om, tot zijn eigen verbijstering, te gaan begeren wat hij begeert: deelname aan sm-sessies. Het gaat er niet in de eerste plaats om dat Suguro niet aan zoiets mee mag doen, maar dat deze deelname zou betekenen dat hij iets zou doen wat hij, denkt hij, nooit zou willen. Temeer daar hij, tijdens zijn speurtocht naar zijn dubbelganger, ontdekt dat de orgies draaien om een vrouw die overduidelijk en letterlijk wil sterven.

Het gaat in dit boek om het proces dat Suguro's wil sloopt, en dat proces is niets anders dan de systematische onthulling van een destructief seksueel verlangen dat klaarblijkelijk altijd in Suguro aanwezig is geweest. En het fascinerende, Griekse tragedie-achtige, is dat dit proces in de allereerste plaats in werking wordt gezet door Suguro's schrijverschap zelf. Hij wil behalve geloven ook iets anders: de werkelijkheid beschrijven. Er kan voor Endo geen mens bestaan, hoe zwak of slecht ook, waarvan hij niet het lot zou willen beschrijven. Dat klinkt een beetje schijnheilig, en Endo is de eerste om te bekennen dat deze drang tot weten hem een soort genot bezorgt.

Als hij met zijn belangrijkste tegenspeelster praat, mevrouw Naruse, en begint te ontdekken dat zij er een seksueel dubbelleven op na houdt, 'voelt hij de weerstand, alsof hij een vis aan de haak had, maar ook opwinding'.

Gaandeweg wordt duidelijk dat Suguro's opvatting van zonde niet langer voldoet. Die opvatting was dat er in iedere zonde een kiem van wedergeboorte aanwezig is, vooropgesteld dat de zonde volgt op een worsteling. Daarmee eindigt de roman Diepe rivier, met een wedergeboorte van de personages, geritualiseerd door een doop in de Ganges. Onder die personages is een vrouw die ooit met een aankomende priester naar bed is geweest om zijn geloof te bespotten en te breken. Een leven lang is ze door die jongen gefascineerd gebleven. Uiteindelijk begrijpt ze dat ze altijd door hem geraakt is geweest juist omdat hij zo zwak, door zich zelf verraden en ontredderd was. Het is bij Endo uiteindelijk het onooglijke, 'luisterloze', dat met God in verband gebracht kan worden - en dat maakt enigszins duidelijk dat de afstand tot God bij hem niet een kwestie is van 'oneindig ver', maar van oneindig onooglijk.

Maar de mensen met wie Suguro in Het schandaal in aanraking komt, worstelen helemaal niet. En ze fascineren hem steeds onherroepelijker. Wat eerst romanschrijversnieuwsgierigheid was, wordt betrokkenheid, en uiteindelijk deelname. Het verlangen naar destructie, dat zo lang achter zijn opvatting van zonde als verlossing verstopt was, breekt los. 'Wat lange tijd verborgen had gezeten, vertoonde in de hoedanigheid van ouderdom zijn ware gezicht, aangewakkerd door de wind die aanwoei uit de dood'. Uit de totale destructie waait ook de meest verontrustende passage uit dit boek aan: de brief van mevrouw Naruse. Die is een soort biecht, aan de romanschrijver, en ze vertelt daarin dat ze ooit ontdekte dat haar man medeplichtig was geweest, in de oorlog, aan een massamoord - en dat ze, toen ze dit ontdekte, in een onstuitbare seksuele opwinding was geraakt. Een opwinding die zich op haar man (na de oorlog overigens een keurige hoogleraar) is blijven richten, en waarvan ze ook na zijn dood niet los is gekomen.

Mevrouw Naruse is het mysterie van Het schandaal. Ik vraag me af of ik ooit een ambiguer, fenomenaler personage in een moderne roman ben tegengekomen. Iemand die je in een kinderziekenhuis kunt treffen, terwijl ze patiëntjes voorleest, en die tegelijkertijd in een koffieshop gaat zitten, op een nacht, zo dicht mogelijk bij de flat waarvan ze weet dat daar iemand zelfmoord aan het plegen is. In haar brief zegt ze: 'Iedereen heeft de ervaring een bepaalde daad te begaan, juist omdat men weet het niet te moeten doen. (-) Aan dit verlangen heb ik me uiteindelijk overgegeven. Wat mij bewoog was de wens een fout te begaan omwille van de fout.'

Suguro zit klem. Zijn romanschrijversverlangen om het bestaan van een vrouw als Naruse te erkennen en te doorgronden zuigt hem haar wereld in. 'Als het om uw boeken gaat', zegt ze, 'als ik eerlijk mag zijn... de man heeft Jezus verraden, maar u schrijft alleen maar over de tranen die hij uit berouw giet nadat de haan driemaal heeft gekraaid. U heeft nadrukkelijk vermeden de meute, dronken van plezier stenen te gooien, te beschrijven...'

Het is dan ook mevrouw Naruse die Suguro tenslotte de gelegenheid geeft om zelf deel uit te maken van haar nachtelijke, sadistische ondergrondse - en hij maakt mee, deze keurige vijfenzestigjarige, hoe het voelt om een jonge, in slaap gebrachte vrouw te willen wurgen. Kort daarvoor heeft de spil van mevrouw Naruses escapades - een jonge, onooglijke vrouw die Suguro op een video heeft gezien tijdens een toppunt van doodsdrift en genot - daadwerkelijk haar zelfmoord gepleegd. 'Aan zonde waren grenzen, zonde hield redding in; aan de impulsen echter die hij had ervaren, waren geen grenzen.'

In het evangelie wordt Jezus het skandalon genoemd, ten onzent bekend als 'de steen des aanstoots'. Bijna op de laatste bladzij van het boek kijkt Suguro in de kerk, waar hij gewoontegetrouw heen is gegaan, naar één van de passiestaties. 'Een man die zelf de kracht niet had zich te verzetten, sleepte zijn bebloede benen voort; een menigte die hem hoonde toen hij naar het veld van executie ging, stenen wierp en genoot van zijn lijden: tot op heden had Suguro nooit nagedacht over die meute op zich. Toch, als hij daar toen had gestaan, had hij beslist niet met zekerheid kunnen zeggen dat hij er geen genoegen in had geschept om stenen naar de man te gooien en hem te zien lijden.'

Het eind van dit verontrustende boek is open. 'Ook in een schandaal moest hij een teken van verlossing ontdekken'. Het werkwoord is moeten. Endo zegt dat hij het teken moet willen ontdekken.

Toen ik Het schandaal uit had vroeg ik me natuurlijk om te beginnen af wat ik, als ik Endo's handtekening ging vragen, tegen hem zou zeggen. Er is beslist iets wat ik hem te zeggen heb, zelfs al weet ik dat hij zal blijven glimlachen.

    • Willem Jan Otten