Gemaakt voor de vergetelheid

Josephine Hart: Oblivion. Uitg. Chatto & Windus, 200 blz., Prijs ƒ 40,90

Wat vreest een mens meer dan de dood? Pijn? Verdriet om verlies? Angst zelf? Oud of eenzaam zijn? Nee, het is de angst om na de dood geleidelijk uit de herinnering te verdwijnen. De vergetelheid, daar zijn we het allerbangst voor. Dat stelt de van oorsprong Ierse schrijfster Josephine Hart in Oblivion, haar derde roman na de verfilmde boeken Damage en Sin. Behalve als tv-presentatrice werkt Hart veel voor het toneel, en dat is in Oblivion goed te merken. Ze vervlocht een half toneelstuk door haar nieuwe roman om haar ideeën kracht bij te zetten.

De hoofdpersoon is een man wiens vrouw een jaar geleden gestorven is. Als voorbereiding op een tv-interview met een om haar cynische opvattingen bekende toneelschrijfster, bezoekt de man een repetitie van een stuk waarin overledenen vertellen hoe ze aan hun einde kwamen en hoe ze zich nu voelen, al wegglijdend in de vergetelheid. Pijnlijk voor de man, maar niet pijnlijker dan al het andere wat hij buiten zijn werk moet doen, nu zonder zijn geliefde vrouw. Vrijen met zijn nieuwe vriendin bijvoorbeeld, een uitputtende strijd tegen steeds weer opdoemende herinneringen en vergelijkingen. Of langsgaan bij zijn schoonmoeder, die onbeschrijfelijk lijdt onder het verlies van haar enige kind. Zowel zij als de man zelf voeren in gedachten gesprekken met hun beminde dode. Het zijn die weemoedige of bittere gesprekjes, zonder een zweem van spiritisme of (bij)gelovigheid overigens, die in Oblivion het beklemmendst zijn. Niet het meer expliciete maar gespeelde leed van de acteurs die de hoofdpersoon moet gadeslaan.

Wie leeft het langst, in de herinnering? “Hamlet's more real to the world than you are, dearie”, snerpt de regisseur in lange cynische monoloog waarmee hij zijn spelers in de juiste morbide stemming wil krijgen. Personages op zoek naar een voortleven, maar dat is slechts voor zeer weinigen weggelegd. “Our past is memory and our future oblivion”, zoals de toneelschrijfster de jonge weduwnaar onnodig waarschuwt. De enige redding en troost valt te verwachten van vergeten: “we are constructed for forgetfulness - the forgetfulness that we will be forgotten”.

Als de tweede vrouw van de man aan het slot van de roman zwanger blijkt te zijn ervaart hij dat als weer een nagel aan haar doodskist. Hoe oneindig veel subtieler en aangrijpender was het eerste hoofdstuk, waarin hij probeert zich te verliezen in een vrijpartij waarbij hij geen van beide vrouwen tekort doet.