Een land waar je het ene denkt en het andere doen moet; Duitse schrijfster Petra Morsbach over haar passie voor het Russische leven

De Duitse Petra Morsbach beschouwt Rusland als haar tweede vaderland. Ze studeerde in St. Petersburg en op haar ervaringen daar baseerde ze haar debuutroman over het leven van Ljoesja, een gewone Russin uit Leningrad. “Ik had het gevoel dat al die verhalen die ik daar gehoord had niet verloren mochten gaan.”

Petra Morsbach: Plötzlich ist es Abend. Uitg. Eichborn, 640 blz. ƒ 65,60

We blijken in Petersburg een gemeenschappelijke kennis te hebben. Baba Klava, huisbewaarster in het studentenhuis op het Vasiljev-eiland, waar we kort na elkaar gewoond hebben. De kromme baba Klava zamelde elke zondagavond scheldend en tierend de ontelbare lege portwejn- en wodkaflessen van de studenten in, bond ze op een ijzeren sleetje en glibberde ermee naar het 'inzamelpunt voor glazen verpakkingsmateriaal'. Van het statiegeld kocht ze brood en bier.

Waar baba Klava was waren kakkerlakken. Vanuit haar kleine kamertje rukten ze in rotten op door het hele huis, bruin, dik en glimmend. Als je ze doodtrapte, kraakte hun schild. Maar alles went. Zelfs baba Klava.

Petra Morsbach (39) studeerde in 1981 een jaar aan het Theaterinstituut in Leningrad. Ze volgde regielessen bij de populaire Katsman, destijds een begrip in de Russische toneelwereld. En ze dook onder in het land waar alles anders was dan in haar burgerlijke Duitsland. Ze schreef alles op wat ze hoorde en zag.

Na Leningrad werkte ze als toneelregisseur in West- en Oost-Duitsland, totdat ze drie jaar geleden haar baan opgaf (“een regisseur is maar voor twintig procent creatief, de rest is politiek, intriges en acquisitie”) om zich aan de schrijftafel te zetten. Ze schreef een roman van zeshonderd bladzijden, die in de Sovjet-Unie speelt en uitsluitend bevolkt wordt door Russen. Ze noemde het boek Plötzlich ist es Abend, naar een dichtregel van Salvatore Quasimodo (Ed è subito sera) en stuurde het naar twintig uitgevers. Niemand wilde het hebben. Te dik voor een debutant (“een debuut mag tweehonderd bladzijden dik zijn en moet DM 36,- kosten”, weet Morsbach inmiddels), te exotisch, waarom schrijft een Duitse in hemelsnaam een roman die in Rusland speelt?

Toen stuurde ze drie velletjes naar Hans Magnus Enzensberger. Hij vroeg om meer. Ze stuurde er zestig. Hij belde op om haar te feliciteren, zocht een uitgever en inmiddels zijn er 20.000 exemplaren verkocht.

Ik heb haar boek in één ruk uitgelezen. Ik heb me laten meeslepen en heb me kwaadgemaakt over de zinloosheid van het bestaan. Maar ik heb me ook geamuseerd over de inventiviteit van de mens. En me verbaasd over het inlevingsvermogen en de gedetailleerdheid van de beschrijvingen. Het was alsof ik alle verhalen kende, alle karakters eens was tegengekomen, alle details in Rusland zelf ook had waargenomen. Eigenlijk had ik dit boek zelf willen schrijven.

Plötzlich ist es Abend is een onopgesmukt boek. Het is het laconieke levensverhaal van Ljoesja, een gewone Russin, niet goed en niet slecht, niet mooi en niet lelijk, met een geschiedenis die zo doorsnee is dat de haren je voortdurend te berge rijzen.

“Ljoesja is vierentwintig jaar oud, heeft een onecht kind en werkt in de kogellagerfabriek 'Vooruitgang'; dat wil zeggen op dit ogenblik zit ze in haar kamertje in een kommunale woning in de Petrogradwijk en droomt van de liefde. We zijn in Leningrad, in februari van het jaar 1950. Er wordt gebeld.”

Lamme Goedzak

Zo begint de roman en vervolgens gaat het leven met Ljoesja op de loop, van de ene man naar de andere, van de ene baan naar de andere, van de ene gribus naar de andere. De eerste minnaar is een prins, de eerste echtgenoot blijkt een psychopaat, de tweede een erotomaan, de derde een Lamme Goedzak en alle personages in het boek nemen voortdurend wraak op Jan en alleman omdat het lot hen op hun beurt te grazen heeft genomen. Alleen al de beschrijving van het leven in een kommoenalka (gemeenschapswoning waar verschillende gezinnen badkamer, keuken, toilet en niet te vergeten telefoon met elkaar delen) is zo huiveringwekkend dat je keer op keer je Nederlandse zegeningen telt.

Tegelijkertijd zindert het boek van de vitaliteit, boerensluwheid en overlevingsdrang. De laconieke manier waarop Ljoesja voortdurend reageert op de rampen die haar overkomen geeft haar die verbluffende veerkracht die je in Rusland bij mensen altijd weer zo treft. Een baan is pas bevredigend als hij de mogelijkheid tot stelen biedt, een relatie heeft pas zin als hij uitzicht op een woning geeft, een vriendschap heeft alleen betekenis als je te allen tijde binnen kunt vluchten.

Hoe kan een buitenstaander zich de sfeer in zo'n vreemde wereld zo eigen maken en wie heeft het lef zo'n boek te schrijven?

“Ik had het gevoel dat al die verhalen die ik gehoord had niet verloren mochten gaan,” zegt Petra Morsbach. “Het was een passie, het boek heeft me werkelijk verscheurd, soms dacht ik: ik hou het niet uit. Maar het moest geschreven worden.”

Het is een grijze wintermiddag en we drinken thee op haar kale kamer in het Künstlerdorf in Schöppingen bij Münster. Daar zit Morsbach al een half jaar aan een tweede roman te werken, die niet in Rusland speelt. Haar liefde voor Rusland kan Morsbach niet goed verklaren, maar ze ziet het als haar tweede vaderland. “Toen ik er voor het eerst kwam had ik de indruk dat ik er al eens geweest was. Het directe, existentiële, onversierde van de taal sprak me zeer aan. De Russische historicus Mirski heeft het goed geformuleerd: het Russische proza is zo helder als vensterglas.”

Het zijn de Russische klassieken geweest die haar voor de taal hebben gewonnen. De klassieke Engelse literatuur noemt Morsbach zeer hoogstaand met haar 'slanke, bekoorlijke stijl', maar de inhoud doet ze af als 'Upperclass-quatsch'. De Duitse literatuur roept bij haar een gevoel van pretentie en vergeestelijking op. “Ook in het Duitse proza is de ambachtelijkheid groot, maar het is me te abstract, het gaat altijd over virtuele werkelijkheden en identificatieproblemen. De Russische literatuur bood mij het ongelooflijke wonder van het menselijk leven. Een schrijver als Nikolaj Leskov is stilistisch zo ingenue, zo simpel en zo humoristisch. Een man komt aan in een herberg, kan niet slapen, legt zijn oor tegen de wand en luistert de gesprekken van zijn buren af. De laagheid, de sluwe berekening en de achterbakse humor van die mensen achter die wand lijken zo in elkaar geflanst dat argwaan op zijn plaats lijkt, maar hij beschrijft het zo meeslepend dat maar weinig schrijvers hem hierin kunnen evenaren.”

Morsbach streeft in haar boek ook naar die simpelheid en directheid van stijl. Sommige critici zijn daarover gevallen. “De kritiek zegt: het is pretentieloos. Iemand schreef: het is groot proza zonder één kunstige zin. Maar eenvoudig schrijven is een kunst. Ik heb geschrapt en geschrapt en geschrapt. Van Tsjechov heb ik geleerd dat je het begin en het einde van een verhaal moet wegstrepen. Commentaar neemt de spanning van het verhaal weg. De spanning moet zich niet kunnen ontladen. Een heel mensenleven in één bijzin afdoen werkt veel krachtiger en pijnlijker. En als je dan merkt dat het leeft, is dat mooi!”

Lethargie

Hoewel Morsbach het comfort in Duitsland zeer kan waarderen, is het juist de anarchie die haar trekt in Rusland. “Het leven is er onberekenbaar. De Sovjet-Unie riep interessante vragen op. Hoe kun je leven in een land waar je voortdurend het ene denkt en het andere doen moet? Dat moet tot stoornissen leiden. Ik vermoedde dat de ideologie niet diep ging, niet organisch was. Tegelijkertijd dacht ik eerlijk gezegd dat het systeem eeuwig was, dat het met de moderne communicatiemiddelen mogelijk zou zijn de mensen tot in de eeuwigheid te onderdrukken. Toen het als een zeepbel uiteenspatte was ik stomverbaasd.”

Een van de grootste absurditeiten van het sovjet-systeem was de perversie van de taal, voor een buitenlander zeer opvallend, maar voor de eigen burgers nauwelijks meer waarneembaar. “De taal werd als dwangmiddel gebruikt en werd dus ook gewelddadig. Als je de hele geschiedenis beschouwt als een strijd tussen achterblijvers en progressieven ga je het woord 'strijd' voor steeds belachelijker dingen gebruiken. Dat zag je in de simpelste campagneleuzen zoals 'Oproep tot de opvoering van de strijd tegen het roken'. Het was een krankzinnige inflatie van de taal. En daarnaast had je een versluierende schijnnormaliteit, een lichte ironie. Als iemand zei: ik heb de Transsiberische spoorlijn aangelegd, dan wist je onmiddellijk dat hij bedoelde: ik ben dwangarbeider geweest.”

Wanneer Ljoesja in de roman scheidt van haar eerste man begint deze een campagne tegen haar met behulp van de meest vuige denunciaties. Morsbach schreef de door verschillende getuigen ondertekende aanklachten letterlijk over van documenten van vrienden die in vergelijkbare situaties waren beland: “Gwosdikowa L.S. is een in ieder opzicht smerige vrouw. Ze voedt haar kinderen op als bandieten en prostituées, omdat er elke nacht mannen bij haar komen, dan danst ze naakt op tafel en dat alles voltrekt zich voor de ogen van de kinderen.” Was getekend door de buren.

Lachend zegt Morsbach: “Ik moest mijn vrienden er zelf op wijzen hoe komisch die teksten waren. Het is een ongelooflijk mengsel van gemeenheid en belachelijkheid. Het is en blijft een land met een vreselijke traditie aan gruwelijkheden, waar de mensen zich niet van kunnen bevrijden. En ze dóen er niets aan, ook niet aan de kleine dingen. Ik herinner me in de bibliotheek een oud vrouwtje dat bij de garderobe zat. Elke keer als er iemand binnenkwam sloeg de zware deur met een geweldige klap dicht. De baboesjka had knetterende hoofdpijn en bij elke klap schreeuwde ze het uit en schold op de binnenkomers. Maar het kwam niet in haar op om een lap aan die deur te binden. Een ander voorbeeld van de lethargie en apathie. Er was een pad waar distels groeiden. De voorbijgangers prikten zich keer op keer aan die distels. Toen ik ze had uitgerukt, zag ik mensen langslopen die zich werktuigelijk bukten om aan hun been te krabben tot ze verbaasd merkten dat de distels verdwenen waren. Of neem de bedelaars. In zuidelijke landen storten ze zich op je, maar in Rusland zitten ze apathisch te wachten in de snijdende kou. Of neem de smerige toiletten, waar iedereen toch gebruik van moet maken. Er zijn in dit land duizend dingen die in elkaar grijpen en wat je eraan moet doen weet ik ook niet. En toch is er iets wat uit deze hopeloosheid opkrabbelt. En is er een democratische gezindheid in de verhoudingen. Mensen uit verschillende lagen van de bevolking spreken met elkaar als gelijken. En soms word je opeens geconfronteerd met een teken van innerlijke beschaving. Ik herinner me een toiletjuffrouw in een hotel, die aan het eind van ons aangename gesprek in alle ernst zei: komt u nog eens langs! Er zijn uiteindelijk in Rusland toch meer Tsjechov-Russen dan Dostojevski-Russen. Al die hysterische frigide vrouwen die de mannen naar hun pijpen laten dansen zonder dat het ooit tot geslachtsverkeer komt kom je in het echt niet tegen. Dat zijn Dostojevski's persoonlijke afwijkingen.

“Toen ik zeventien was wilde ik emigreren. Ik vond Duitsland zo koud en gevoelloos. Het leven hier is abnormaal abgesichert. Misschien is dat wel helemaal niet goed voor de mensenziel. Toch heeft Rusland niets nastrevenswaardigs. En ook daar zijn de emoties niet altijd echt. Ik heb een Russische vriendin wier dochter naar het westen is geëmigreerd. Ze lijdt daar waanzinnig onder. Als ze haar dochter aan de telefoon krijgt, sproeien de tranen rechtstreeks de keuken in. Maar toen een Duitse vriendin van me, een zeer beheerste dame, haar zoon verloren had en we samen de rouwkaarten zaten te schrijven, zag ik dat haar handschrift onleesbaar was. De emotie die daaruit sprak was even schokkend als de tranenvloed van de Russin.”

Morsbach idealiseert niemand in haar boek, ook de dissidenten niet. De psychopaat en speculant Pasja (Ljoesja's eerste man die er geen been in ziet haar op te bergen in een psychiatrische inrichting) ontpopt zich plotseling als dissident en krijgt negen jaar kamp. Dat roept bij Ljoesja zoveel deernis op dat ze opnieuw met hem trouwt en hem braaf in het kamp gaat opzoeken met levensmiddelen en warme kleding. Het zijn barre tochten naar onherbergzame oorden. Haar flirt met de kampcommandant, die volstrekt willekeurig beslist over wel of geen bezoek, is de flirt van een vrouw die gewend is elke vernedering te ondergaan om haar doel te bereiken. Pasja maakt genadeloos misbruik van de nieuwe status die hij in haar ogen heeft verworven.

Jeltsin

“Elke Rus die in het westen opduikt blijkt achteraf een dissident geweest te zijn. In de jaren tachtig was het hoogconjunctuur voor dissidenten: het was niet meer zo gevaarlijk als in de Stalintijd. Ook was er in de Koude Oorlog in het westen een veel grotere belangstelling van de pers voor de dissidenten dan in de Stalintijd toen niemand geïnteresseerd was in de slachtoffers. Maar de indeling in goed en slecht klopt nooit. Alle mensen hebben gemengde karakters. De dissidenten hadden een aureool dat ik altijd heb gewantrouwd. Sommigen, zoals Sacharov, hadden grote persoonlijke moed, maar die verheerlijking is ook voor hem niet gezond geweest. Je had wel kleine stille helden, maar veel waren het er niet. Ik herinner me in een studentenhuis een onopvallende, maar zelfbewuste jongen, die weigerde zijn buitenlandse kamergenoot te bespionneren. Hij werd direct van de universiteit gestuurd.”

Toch is Morsbach met de dissidenten naar haar zeggen voorzichtig omgesprongen. Ze vindt niet dat ze het recht heeft te experimenteren met andermans geweten. Het was en blijft een afschuwwekkend systeem. “Het was zo'n romantisch idee om de sociale gerechtigheid te institutionaliseren en te geloven in de goedheid van de mens. Ga je dat afdwingen dan komt meteen het slechtste in de mens naar voren. Waarschijnlijk is het leven in wezen zo vormeloos dat ieder mens er een privé-ideologie op nahoudt. De meeste mensen hebben een geestelijke mal waar ze in passen. Er is geen tijd om na te denken: het is ploeteren en sappelen geblazen. Wie weet willen ze het zo. Schiller heeft eens gezegd: 'De mensen zijn toch eigenlijk het beste in stop- en lapwerk en voegen zich veel beter naar een gehaat Moeten dan naar een bittere keus'. Het systeem heeft de mensen op deze manier de verantwoordelijkheid voor het algemene falen ontnomen. Misschien verklaart dat dat de Russen zo hopeloos untüchtig zijn. Ik zou overigens onder deze omstandigheden waarschijnlijk niet anders geweest zijn.”

De primitiviteit en de brutaliteit waarmee Jeltsin een eind heeft laten maken aan de gijzelingsactie in Dagestan hebben Morsbach geschokt. “Niemand heeft eigenlijk dit soort brutaliteit verwacht. Het is angstaanjagend. Maar je moet niet vergeten dat er tientallen jaren roofbouw is gepleegd op de elite. Dan hou je dit soort apparatsjiks over. En dan die mafia die nu boven komt drijven. Toch was de perestrojka een revolutie. Gorbatsjov mag dan omstreden zijn, maar hij heeft de juiste toon getroffen en dat verschrikkelijke systeem ten val gebracht, of hij wilde of niet. Veel van mijn vrienden hebben opgelucht adem gehaald, maar voor types als Ljoesja heeft zich niets ten goede gekeerd.”

Een klein beetje zorgen maakt Morsbach zich wel dat haar boek wordt opgevat als een inktzwarte schildering van Rusland. “Geen auteur kan zich beschermen tegen misinterpretatie van zijn boek. Sommige mensen zijn na lezing tot de conclusie gekomen dat alle mensen slecht zijn, of dat de vrouwen goed zijn en de mannen slecht. Ook heerst het misverstand dat Ljoesja voor mij het Heilige Moedertje Rusland is. Dat is onzin: ze haalt dezelfde stomme streken uit als alle anderen. Ook zij misdraagt zich tegenover haar kinderen. De roman is geschreven uit het standpunt van de individuele moraal en dat is de enige die telt.”

Wat niet valt te ontkennen is dat de vrouwen het in Rusland zwaarder te verduren hebben dan de mannen. Ze hebben dan ook vaak een puur zakelijke benadering van liefde en romantiek. Als Ljoesja de keus heeft tussen een stevige zeeman uit Moermansk en een lelijke maar charmante professor uit Leningrad kiest ze bij toeval voor de laatste die haar vervolgens zo ostentatief bedriegt dat zelfs háár geduld opraakt. Maar het lijdt geen twijfel dat Moermansk ook op een debâcle zou zijn uitgelopen.

“Het leven in Rusland is misschien wel exemplarisch voor de strijd om het bestaan”, zegt Morsbach. “De nieuwste verklaring die ik in Rusland hoorde is dat God ze heeft vervloekt om de zonden van de mensheid. De catastrofe is zo groot dat men alleen nog maar mythische verklaringen kan vinden.”

Van haar laatste bezoek aan Rusland is Morsbach zelf ook niet optimistisch teruggegekeerd. “Ik ken een vrouw die tijdens het communisme altijd heel beleefd en charmant bleef onder alle vernederingen. Als intellectueel had ze een duidelijk gevoel van eigenwaarde. Zo bleef ze overeind. Nu is die zekerheid weggevallen. Een intellectueel betekent niks meer in Rusland. Ze voelt zich totaal verloren. De laatste keer dat ik haar zag had ze zo'n reddeloze blik van onderdanigheid in haar ogen dat de schrik me om het hart sloeg.”

    • Laura Starink