Een beetje moederziel

Armando en Cherry Duyns: Herenleed. Een ongerieflijk tweetal. Uitg. De Bezige Bij. 62 blz. Prijs ƒ 17,50.

Man 1, dat is de Armando-man, stelt deze vraag: “Zo iemand als U hè, heeft zo iemand nou een moeder?” Man 2, dat is de Cherry Duyns-man, lijkt er even gevoelig door getroffen. “U raakt een snaar”, geeft hij toe. Hij slaat een hand voor zijn gezicht, doet even een stap opzij, maar hervindt zich snel en roept man 1 toe: “Natuurlijk niet, domme jongen.” Zo gaat men in het kleine, absurde universum van Herenleed met gevoeligheden om: ze worden ontweken, ontkend of anders wel hardhandig bestreden. Als het twijfelende Armando-mannetje zich laat ontglippen dat hij “vaak een beetje moederziel” is, dan heeft man 2 daar geen boodschap aan: “Eigen schuld, moet U maar géen moeder hebben.”

De reacties van de mannen zijn onvoorspelbaar: daarin schuilt de humor, maar ook de dramatische spanning van Herenleed. De toeschouwer, of de lezer, probeert toch de horkerigheid en de tere ziel van man 2 onder te brengen in één karakter. Hij tracht te begrijpen hoe man 1 zijn opstandige gevoelens weet te verenigen met zoveel onderdanigheid. En hij zal, tegen beter weten in, blijven hopen op een vriendschappelijke verzoening tussen de hork en de onzekere. Daar komt het dus niet van, door hun beider onvoorspelbaar gedrag, maar de mogelijkheid ligt voortdurend op de loer. Dat maakt het lezen van deze dialogen nog behoorlijk uitputtend, ondanks alle humor en ondanks het aanstekelijke taalgebruik. Man 1 en 2 spreken in een eigen idioom, dat zich kenmerkt door een zekere bondigheid (“Wat doet? Wat grabbelt?”), verrassende beeldspraak (“Wat ziet U eruit, U lijkt wel een boerderij”) en absurde wendingen. Soms benadert hun taal die van de twee heren in de Dierenwinkel van Jiskefet. Bij ontboezemingen als “Het wel en wee der zandkorrels gaat mij zeer ter harte enigszins” en “Ik hm, pleeg te spreken met de welgemanierde elanden” voelt men zijn rechterbovenlip vanzelf omhoog trekken. Net als de Dierenwinkelmannen zijn de Herenleedheren driftig doende langs elkaar heen te praten, terwijl ze elkaar toch niet kunnen missen - al was het maar om terloops eens een hoger inzicht te omspelen. “Als men dood is leeft men zonder dat men leeft”, zo weet man 1. “Men is eindelijk alleenstaand. Heel rustgevend, mijns inziens.” Man 2 moet er aanvankelijk niets van hebben, maar ziet even later toch ook wel voordelen: ,Zeg, als ik dood ben, hè, eh...hoef ik dan niet meer met U te praten?” Dit is een tragisch moment voor de Armando-man, maar hij kan inmiddels wel tegen een stootje.

Hoe zou de wereld er zonder hun beider eenzaam gepraat uit moeten zien? Een lege wereld, waar een weemoedige wind waait. “Stilte. Slechts wat hondegeblaf in de verte, zo schrijft het tekstboekje voor. “Nevelige duisternis. Hondegeblaf.” En in de pauze “de gebruikelijke weemoedmuziek, ditmaal met af en toe onweder en hondegeblaf.”

    • Guus Middag