De zon zag het mooi

De vorige keer schreef ik over de honderden Griekse liederen met regen en wolken en over het feit dat ik slechts twee liederen kende die gingen over het zoveel vaker voorkomende fenomeen van de hitte. Daarbij had ik er één over het hoofd gezien, een mooie ballade van Theodorakis op tekst van de, zeer oud geworden, communistische dichter Kostas Varnalis, waarin de hitte een grote, zij het positieve rol speelt. De begeleidende bouzouki verbeeldt succesvol de opgewonden hartslag van de hoofdpersoon: Het had zijn zonnescherm versierd/ het bootje van bochel Andreas/ afhangend naast de reling/ de zon zag het mooi/ Katharina, Zof, Antigoontje, Zenovia/ o wat een vrolijk leven/ je klopt, arm hart, met kracht. De warme middagen/ namen ze het bootje van Andreas/om op de open zee te gaan/ allen tezamen 'n gek gezelschap./De slechte winter kwam/ en het gezelschap raakte uit elkaar/en een geheime hoest/ haalde je neer, Oompje Andreas.

Het motief van de zon als soeverein lichaam dat 'alles ziet' komt veel voor in de Griekse volksliederen. Dezelfde Theodorakis, tevens een groot dichter, nam het over voor één van z'n allermooiste balladen, een langzame zeïbèkiko uit zijn cyclus 'Lied van de Dode Broeder', die op de burgeroorlog van 1946-1949 teruggrijpt: Twee zonen had je, moedertje/ twee bomen twee rivieren/ twee Venetiaanse kantelen/ twee kruizemunten twee verlangens/ één voor het Oosten, de ander voor het Westen/ en jij in het midden, alleen/ praat en vraagt de zon/ Zon die de bergen ziet/jij die de rivieren ziet/ en de arme moeders/ als je Pavlos ziet roep hem/ als je Andreas ziet zeg hem/ met één pijn heb ik hen ter wereld gebracht/met één snik heb ik hen gebaard/ maar zij trekken over de bergen/ doorwaden rivieren/ ze zoeken de één de ander/ om elkaar af te slachten/ Maar daar, op de hoogste berg/ de allerhoogste helling/ leggen ze zich neer, vlak bij elkaar/ en ze hebben dezelfde droom/ ze reppen zich naar het sterfbed van de moeder/ en sluiten haar de ogen/ en ze planten hun messen/ diep in de grond/ en op die plek is water ontvloeid/ waaraan je je dorst kunt lessen.

Veel familiairder met de zon is een al even bekend lied van de overleden componist Manos Loïzos dat 'Goedemorgen zon!' heet. Het is één van de vrolijkste liederen die in dit land zijn geschreven en het pakte de Grieken in de ellendigste winter van de laatste tientallen jaren, die van 1973-1974 waarin de duistere dictator Joannidis aan de macht was. De tekstdichter, Dimitris Christodoulou, durfde zijn naam niet op de cover te laten zetten, want met de zon was natuurlijk de vrijheid bedoeld. Later werd het het officieuze partijlied van de socialistische PASOK die de opkomende zon als embleem heeft, maar om de één of andere reden is het een beetje in onbruik geraakt. De onvolledige tekst luidt: We zullen de zon dronken voeren, jazeker/ we zullen hem gek maken, jazeker/ met grote trom en schalmei/ goedemorgen zon goedemorgen/ de zon lacht en raakt de smalle straatjes/ hij danst op de schalmei en begint:/ het rood voor de granaatappel/ het groen voor de kinderen/ we zullen hem op onze daken houden/ en in onze harten, jazeker.

Sinds kort is de zon 'in' voor de Grieken wegens het uitkomen van de record-plaat 'In Gezelschap van een Zon', gezongen door de uiterst populaire zanger Dimitris Metropanos op muziek van de Cyprioot Marios Tokkas en op tekst van Philippos Grapsas. De titel-hit, een zeïbèkiko, is iets afwijkend van terminologie: Ik kwam op een dag/ in gezelschap van de zon/ om je te laten zien/ wat zij doen die liefhebben/ Maar ik die dacht dat de aarde van mij was/ zag dat jij je ogen kil naar mij keerde/ en ik schaamde me voor de zon/ en voor het aandenken aan waardigheid.

In de rebètika speelt de zon een bescheiden rol. De zon zien we voornamelijk bij haar ondergang, en dat wekt dan niet anders dan weemoedige herinneringen op. De term die in het Nieuw-Grieks voor zonsondergang wordt gebruikt, stelt overigens taalkundigen voor raadselen. Men zegt: de zon regeert. Eén van de weinige rebètika die dit fenomeen bezingen, heeft nóg iets geheimzinnigs in haar eerste regel: Juiste zonsondergang/ het uur dat de nacht valt/ga ik gebogen mijn weg/de weemoed verdort mij

Dit lied is van de betrekkelijk onbekende componist Lafka, maar het werd indertijd onvergetelijk gezongen door Papaïoannou. Na hem staat de volgens mij beste interpretatie merkwaardig genoeg op naam van een Nederlander, Hugo Strötbaum, die het in het Utrechtse Vredenburg zong op een concert van zanger/bouzoukiïst Jordánis Tsomídis, waarvan gelukkig een cd beschikbaar is, Lyra 4778. Strötbaums naam is op deze plaat helaas onherkenbaar verbasterd.

    • Frans van Hasselt