Ploeg Raas maakt goede sier met een groeirekening op wielen

UTRECHT, 25 JAN. Op de presentatie van de nieuwe Rabobank wielerploeg van Jan Raas schitterde uitgerekend de kopman gisteren door afwezigheid. Terwijl in de glazen kolos van de hoofdsponsor in Utrecht de renners in vol ornaat (op bootschoenen) aantraden, zat Erik Breukink ziek thuis. “Hij had vreselijk de pest in dat hij er niet bij kon zijn”, zegt vader Breukink, die de doop van de rijkste Nederlandse profploeg wèl meemaakte. “Hij had flinke koorts, maar wilde toch komen. Raas vond het ook beter dat hij thuisbleef. Die was bang dat hij de andere renners zou aansteken.”

Met Breukink heeft Raas een aansprekende Nederlandse renner in zijn ploeg gehaald. De afgelopen drie seizoenen reed hij in Spaanse dienst, bij Once, in de schaduw van Zülle en Jalabert. Grote successen boekte hij er niet. Vorig najaar was Breukink de eerste renner die van Raas de naam van de nieuwe sponsor hoorde. Dat trok hem over de streep en snel daarna tekende hij als eerste, zo staat het geschreven in de annalen van de bank.

De onderneming investeert jaarlijks ruim tien miljoen gulden in de wielersport. Niet alleen in de door Theo de Rooy geleide profploeg, maar - en dat is voor Nederland een primeur - ook royaal in de jeugd. Er komt een groeirekening op wielen: de bank sponsort een amateurploeg (vanaf 1997 op de weg) en een juniorenteam. Beide geleid door ex-profs, respectievelijk Nico Verhoeven en Frans Maassen. “Jongens die de wielertaal spreken”, aldus Raas. Als de negentien renners sterke profploeg de etalage is van deze wielerwinkel, is de kraamkamer zijn trots.

Zowel ploegmanager Raas, die de sportieve taken aan De Rooy en assistent-ploegleider Van Houwelingen heeft uitbesteed, als Herman Wijffels, voorzitter hoofddirectie van de bank, streeft er naar het vaderlandse wielrennen weer terug te brengen op topniveau. In het bankjargon van Wijffels is het Nederlandse wielrennen door de investering in een kweekvijver vol talentvolle jonkies voorzien van een heuse “ontwikkelingsdimensie”.

Jong is ook de profploeg, reden waarom dit jaar slechts één grote ronde, die in Frankrijk, wordt gereden. “Een jonge ploeg kan twee à drie grote rondes niet aan”, meent De Rooy. “Het is niet goed voor renners om ze uit de wedstrijd te halen of ze al meteen op twintig minuten te laten rijden. In de Vuelta zitten jonge renners zo op hun knieën.” Jong en betrekkelijk onervaren maar ambitieus zijn behalve Moerenhout bijvoorbeeld Jan Boven, Michael Boogerd en Michael Blaudzun. Enkele sterren: Rolf S⊘rensen, Johan Bruyneel, Adrie van der Poel, Vjatsjeslav Ekimov en Edwig van Hooydonck.

Raas zocht vorig jaar naarstig naar een nieuwe sponsor en vond die erg laat, op een moment dat veel renners zich al voor het nieuwe seizoen hadden vastgelegd. Dat beperkte zijn keuzemogelijkheden. Op de vrije markt reden bijvoorbeeld geen sprinters van topklasse meer rond. En het was tegen zijn principes contracten te laten openbreken. “Een jongen die al een contract heeft, ga ik niet bellen.” In de categorie sprinters zette Raas zijn kaarten op Robbie McEwen. De Australiër kan volgens hem uitgroeien tot een van de beste sprinters.

Erik Breukink is geen sprinter, maar wel 31 jaar. Nog niet te oud, vindt Raas, om op hoog niveau te presteren. Was Joop Zoetemelk, assistent ploegleider bij de ploeg, niet 38 jaar toen hij in 1985 wereldkampioen werd? Breukink is allesbehalve uitgerangeerd. “Breukink is heel blij dat hij terug in Nederland terug is. Hij was dat gependel naar Spanje en het verhuizen beu. Hij is vader en vindt het prettig dat hij nu niet meer zoveel hoeft te reizen.”

Raas vindt het een verstandige stap van “een renner die zijn carrière aan het afbouwen is”. Is een renner die afbouwt wel geschikt als kopman? “Breukink wil prestaties neerzetten. Op dit moment is hij daar heel professioneel mee bezig. Hij zal er echt niet met zijn pet naar gooien.”

De beschrijving die de bank van Breukink geeft, onderstreept zijn voorbeeldfunctie: “Met zijn speciale capaciteiten als tijdrijder en in iets mindere mate als klimmer kan hij nog wel scoren in kleinere ronden en heuvelachtige klassiekers. Hij is en blijft het gave voorbeeld van het Nederlandse wielrennen en daarmee een groot voorbeeld voor de jeugd.”