Pekingeendekweek

Een paaseend, noemde de fotograaf de vogel hier op het plaatje. En de vogeltjes die er achteraan lopen: paaseendekuikens. Maar de wetenschap kent de paaseend niet en negeert haar zoals ze de paashaas negeert. 'Pekingeend' is een meer gebruikelijke benaming voor de knalwitte tamme eend die model stond voor Donald Duck.

Vandaag gaat het dus over de pekingeend. Of liever: over de slordig geklede halfwitte wilde eenden die men op bijna elke wandeling door de vrije natuur tegenkomt. Hoe komt het toch dat die zich zo goed weten te handhaven terwijl juist camouflage bij de wilde eend het hoofdstreven van de natuur leek. Of worden er voortdurend halfwitte bastaarden bijgemaakt? Maar waar zitten dan toch de eenden die dat doen?

Vragen waarop niet zomaar antwoord komt, want pekingeenden en bonte wilde eenden kunnen rekenen op onverbloemde minachting van biologen en vogelaars. De vogelgids doet of ze niet bestaan en zoiets als de Encyclopaedia Britannica kent de 'Peking Duck' uitsluitend als een traditioneel Chinees gerecht dat in drie gangen wordt opgediend: eerst het vel, dan het vlees, ten slotte de gestampte botten.

Biologen van het vogeltrekstation in Heteren komen nooit pekingeenden en witbonte wilde eenden in hun netten tegen, zeggen ze, laat staan dat ze ze van een ring zouden voorzien. Het is bekend, zegt er een, dat kooikers de witbonte soepeenden selectief tussen gewone wilde eenden uithalen. Wat witte vlekken vertoont wordt aan verder geslachtsverkeer onttrokken, de druk van exoten is hier al groot genoeg. Het moet geen rommeltje worden.

Dus bellen met de Vogelbescherming. Of er iemand is met verstand van witte eendjes. “Bedoelt u de pekingeend of de rosse stekelstaart”, vraagt de woordvoerder op zijn hoede. “We krijgen veel vragen over de rosse stekelstaart, die is namelijk ook wit en bovendien bejaagbaar. Zodoende.”

Er zit geen pekingeendekenner bij de Vogelbescherming. Wel bij Artis, schijnt het, maar de directeur was in vergadering. Zo kan een zondagmiddagmijmerij een obsessie worden. Tot iemand opeens verwijst naar de overkoepelende organisatie van pekingeendekwekers: de Vereniging Slachtpluimvee Export in Harderwijk. Die heeft produktie en afzet van pekingeenden als doelstelling. De noordelijke Veluwe houdt pekingeenden sinds de afsluiting van de Zuiderzee, want de pekingeendekweek was een werkverschaffingsproject voor vissers die aan de wal kwamen te staan. Halverwege de jaren dertig maakt het eendje zijn entree, de Chinese horeca is tegenwoordig de voornaamste afnemer. Woordvoerder J. Riemens onderscheidt mesterijen en fokkerijen. Ook zijn er gespecialiseerde bedrijven die aan rasverbetering doen om de vlees-vetverhouding te optimaliseren. Eigen kweek, denkt Riemens, hij had niet de indruk dat daarvoor potente stammen uit China of zo werden aangevoerd. Zoals hij ook niet de indruk had dat er veel pekingeenden ontnapten naar de vrije natuur. Of andersom: dat de traditioneel open hokken bij Harderwijk en Ermelo een soort afwerkplekken voor passerende wilde eenden zouden zijn, wat genetisch gezien dezelfde consequenties zou hebben. De kans daarop wordt sowieso klein omdat de Nederlandse meststoffenwetgeving de fokkers dwingt de dieren in gesloten hokken te gaan houden. Alsof het kippen zijn. “Kruising met pekingeenden kan niet meer dan een marginaal verschijnsel zijn”, denkt Riemens.

“Pekingeendje? Pekingeend is een beter woord”, zegt de gepensioneerde pluimveeconsulent G.B.J. van Dommelen in Twello. “De pekingeend is met zijn drie-en-een-halve kilo bijna twee keer zo zwaar als de wilde eend. Die haalt de twee kilo niet. Hoe komt u erbij te denken dat de pekingeend de witbonte bastaarden verwekt die u hier en daar tegenkomt. De pekingeend gaat helemaal niet op de wilde eend af. Hij zou het niet eens kunnen want hij kan niet vliegen. Niet voor niets stonden ze in open hokken. Het hek was nog geen meter hoog.”

De pekingeend weet van de prins geen kwaad. Het gros van de dieren bereikt niet eens de geslachtsrijpheid: voor ze acht weken oud zijn vertrekken ze voor hun laatste drie gangen. Het verfoeide wit in het verenkleed van de wilde eend wordt daar gebracht door de kwakereend, zegt Van Dommelen. De Hollandse kwaker. Dat is een rap eendje dat juist maar half zo zwaar is als de wilde eend en uitstekend kan vliegen. Zó goed dat sport- en hobbyfokkers het diertje steevast leeuwieken om bastaardering tegen te gaan. Dierenbeschermers zijn daar tegen, natuurbeschermers kijken graag de andere kant op omdat ze geen witte vlekken in wilde eenden willen. Veel kwakereendjes zijn net zo spierwit als de pekingeend. Maar roomkleurig kan ook. Of gewoon 'bruinwild'.

Het 'kwakertje' verscheen pas in de vorige eeuw als ras, denkt Van Dommelen. Kooikers gebruikten het diertje graag als lokeend omdat het met zijn uitzinnig gesnater veel wilde eenden de 'pijp' in lokte. Ook overigens was het eendje op aantrekkingkracht geselecteerd, dus bastaardering ligt voor de hand. En van tentoonstellingen weet Van Dommelen: nog kwakertjes genoeg in Nederland.

“Kwakertjes als verklaring voor het wit in de wilde eend?”, zegt Maarten Frankenhuis, directeur van Artis. “Dat zou je wel willen omdat het zo'n klein eendje is. Maar vast staat dat het wit in de wilde eend er al eeuwen geleden is ingebracht door kruising met witborsteenden en krombekwitborsteenden die toen in half gedomesticeerde vorm rond boerderijen werden gehouden. Het ging vooral om de eieren: de dieren werden 's ochtends op het erf bijgevoerd maar trokken later op de dag naar de polder waar ze natuurlijk ook wilde eenden tegenkwamen. Het wit in de borst van witborsteenden was er in gefokt om ze goed van die wilde eenden te kunnen onderscheiden. Toevallig was en is het genetisch gezien zó dominant dat we daar nu nog de effecten van zien.”

    • Karel Knip