Markt bepaalt de richting, staat is voor de maatvoering

De herziening van de verzorgingsstaat mag niet alleen een financieel-economische aangelegenheid zijn, vindt Theo Roes. Waar de markt sociale uitsluiting in de hand werkt of het milieu aantast, moet de staat optreden.

Tussen de planeconomie van de voormalige Sovjet-Unie en het vrije-marktmodel van de Verenigde Staten heeft zich in Europa een maatschappelijke ordening ontwikkeld, die een mengvorm is van markt en overheidsinterventies. Met de ineenstorting van het Sovjet-imperium en de overgang van de voormalige Oostbloklanden naar een meer of minder ontregelde markteconomie wordt de discussie over maatschappelijke ordening gevoerd aan de hand van wat doorgaans wordt aangeduid als het Angelsaksische en het Rijnlandse model, of in meer algemene termen markt en staat. Onder invloed van economische internationalisering en vooral de marktideologie heeft zich in de meeste landen van West-Europa een verschuiving voorgedaan in de richting van het Angelsaksische model. Ook in Nederland is sprake van een dergelijke ontwikkeling. De reeds lang lopende discussie over de verzorgingsstaat is inmiddels overgegaan in een daadwerkelijke herziening van de collectieve arrangementen in de sfeer van arbeidsvoorwaarden, sociale zekerheid, gezondheidszorg en onderwijs.

Het veranderingsproces is in Nederland gecompliceerd, omdat het niet alleen gaat om een verandering in de verhouding tussen markt en staat, maar ook om een herpositionering van het sterk geïnstitutionaliseerde maatschappelijk middenveld.

Herziening van de maatschappelijke ordening is een continu proces, dat soms in een versnelling komt, maar veelal geleidelijk verloopt. Er is sprake van een voortdurende aanpassing van de verzorgingsstaat, niet alleen onder druk van economische factoren, maar misschien nog wel meer onder invloed van demografische, sociale en culturele veranderingen. De arbeidsmarkt is hiervan een goed voorbeeld.

De herziening van de verzorgingsstaat moet dan ook niet alleen aansluiten bij economische veranderingen, maar ook bij maatschappelijke trends. De financiële gezondmaking is weliswaar noodzakelijk, maar onvoldoende om een op langer termijn houdbaar sociaal voorzieningenstelsel te garanderen. Ook dient te worden ingespeeld op de gevarieerde behoeften van de huidige mondige en hoog opgeleide burgers. Er dient gewaakt te worden voor een overwegend financieel-economische benadering, waarbij burgers primair worden gezien als (negatieve) voorraadgrootheden in de economie.

Nu de financiële gezondmaking van de Nederlandse verzorgingsstaat een haalbare zaak lijkt, kan het crisismanagement plaats maken voor een op de langere termijn gericht strategisch beleid. Tegenwoordig mag dan ook weer gediscussieerd worden over de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs en de gezondheidszorg, over investeringen in onderzoek en infrastructuur en boven alles over de kwaliteit van de leefomgeving, zowel in sociaal als fysiek opzicht.

In dat kader blijkt er telkens ook opnieuw behoefte aan duidelijkheid over de vraag, van welke voorzieningen de staat het bestaan, de toegankelijkheid en de kwaliteit voor langere tijd garandeert. Markt, middenveld en vooral burgers hebben deze duidelijkheid nodig om op de economische en sociale veranderingen te kunnen inspelen.

Vanuit een breed maatschappelijk gezichtspunt is er een drieledige taak voor de staat: - het scheppen van voorwaarden via ordening en regelgeving voor het functioneren van de markt en het maatschappelijk middenveld en voor de ontplooiing van de burgers; - het garanderen van een sociale infrastructuur, bestaande uit voorzieningen die noodzakelijk zijn voor de instandhouding en ontwikkeling van de samenleving; - het corrigeren en compenseren van de marktwerking, waar deze leidt tot sociaal onaanvaardbare levensomstandigheden en sociale uitsluiting van burgers.

Deze aanduiding van de staatstaken geeft op hoofdlijnen de verhouding weer tussen enerzijds de staat en anderzijds de markt, het maatschappelijk middenveld en de burgers. In Nederland is de inhoudelijke invulling in hoofdlijnen vastgelegd in de Grondwet. Hierin zijn naast klassieke ook sociale grondrechten opgenomen. Deze zijn dan ook de primaire uitgangspunten, op basis waarvan de herinrichting van de verzorgingsstaat moet worden beoordeeld.

Operationalisering van dergelijke abstracte principes is echter niet eenvoudig. De tijd is voorbij dat het welvaren van een land en zijn burgers - zowel op korte als langere termijn - kan worden afgelezen aan de hoogte van het bruto nationaal produkt of vergelijkbare maatstaf.

Vanuit verschillende invalshoeken wordt gewerkt aan de ontwikkeling van maatstaven die beter zijn toegesneden op de nieuwe maatschappelijke situatie. Daarbij moet overigens niet alleen worden gedacht aan sociale ontwikkeling, maar ook aan (ecologische) duurzaamheid. Om deze reden is er ook weer meer belangstelling voor de welzijnsmaatstaf, die het Sociaal en Cultureel Planbureau in de jaren zeventig heeft ontwikkeld.

Interessant in dit verband zijn de human development-rapporten, die de Verenigde Naties sinds 1990 periodiek uitbrengen. De VN nemen in het kader van de discussie over 'human development' als uitgangspunt dat maatschappelijke vooruitgang vóór alles is af te lezen aan de mate waarin mensen lang en gezond leven, kennis verwerven en een inkomen hebben, waarmee zij een decent standard of living te bereiken.

In de ontwikkelde landen zoals Nederland betekent 'human development' het vergroten van de keuzemogelijkheden van mensen in politiek, economisch, sociaal en cultureel opzicht. Volgens de door de VN ontwikkelde human development-index komt Nederland in het landenoverzicht van 1994 op een vierde plaats; afgemeten aan het binnenlands produkt per hoofd van de bevolking scoort Nederland minder goed. De staat draagt er echter zorg voor, dat de leefsituatie voor de bevolking op een hoog niveau blijft, ondanks wat achterblijvende economische presaties.

Een dergelijke vernieuwde maat der dingen als operationalisering van de verschillende gezichtspunten is een goed hulpmiddel bij de heroverweging van de collectieve arrangementen. Twee voorbeelden ter illustratie. Het volkshuisvestingsbeleid is om economische en budgettaire redenen ingrijpend herzien, maar met nadelige sociale effecten, zoals een versterking van de sociale segregatie, is onvoldoende rekening gehouden. In het kader van het grote-stedenbeleid wordt bezien hoe een dreigende verpaupering van bepaalde wijken kan worden gekeerd. Een paar jaar terug zijn bezuinigingen doorgevoerd in de jeugdhulpverlening. Deze worden nu (ten dele) gecompenseerd, omdat de nadelige effecten (bijvoorbeeld in de vorm van meer jeugdcriminaliteit) na korte tijd al zichtbaar werden.

De stelling is derhalve, dat de herziening van de verhouding tussen staat en markt een gedegen analyse vergt van achterliggende maatschappelijke ontwikkelingen. Vanuit verschillende gezichtspunten dienen voorts de effecten van voorgenomen verschuivingen in kaart te worden gebracht. Er zijn reeds verschillende modellen van zogenaamde beleidseffectrapportages ontwikkeld, bijvoorbeeld de emancipatie-effect-rapportage of de gezondheids-effect-screening.

Politiek en beleid zijn een mengsel van moreel oordeel en rationaliteit. Welke analyses en wetenschappelijk gefundeerde maatstaven ook worden aangereikt, morele overwegingen en politieke opvattingen zullen in concrete situaties vaak de doorslag geven. In een tijd, waarin het stelsel van politieke waarden en normen sterk in beweging is is, ligt hier een belangrijke opdracht voor het politieke debat in de samenleving.

    • Theo Roes