Juwelen uit Zuid-Oost Azië; Fijnzinnige en waardige mooimakerij

Er glanst veel goud op de expositie Power & Gold in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam. Maar de amuletten, oorringen, armbanden en hangers van been, van hout en van paarlemoer stralen zeker zo veel bezieling en macht uit.

Power & Gold. T/m 19 mei in Museum voor Volkenkunde, Willemskade 25, Rotterdam. Di t/m za 10-17u, zo 11-17u. Boek: ƒ 68,95.

De plaatsen van herkomst vormen klankgedichten. Nias, Flores, Sumba, Kalimantan, Sulawesi, Babar, Lakor, Kisar, Ambon, een greep uit de 20.000 eilanden die vanaf de maan gezien in hinkstapsprongen China met Australië verbinden. Er komen mooie ikat-weefsels vandaan met roze sinaasappelschijven en met mensfiguren die in hun eenvoud van alle tijden zijn. En men heeft er sieraden gemaakt waar het westerse juweel saai, ja, simpeltjes bij afsteekt.

Het is allemaal te verifiëren op de tentoonstelling Power & Gold in het Museum voor Volkenkunde in Rotterdam. Dat presenteert nu honderden sieraden en tientallen weefsels uit Zuid-Oost Azië. Ze dateren uit de 18de en 19de eeuw en de heren Barbier en Müller hebben ze vanaf de jaren twintig verzameld. In Genève getuigt een klein museum, het Musée Barbier-Müller, van hun rijke bezit aan etnografische en oceanische kunstvoorwerpen.

In tegenstelling tot andere collectioneurs trokken de Zwitsers niet als hebberige avonturiers kris-kras door hun verzamelgebieden. Nee, ze kochten hun stukken in de handel en op veilingen. En dat is bijzonder, want vaak liep de westerse hartstocht voor 'exotica' - van precolumbiaans aardewerk tot 16de-eeuwse bronzen uit Nigeria - uit op roof- en plundertochten. Een verschijnsel dat nog lang niet tot het voltooid verleden behoort, hoewel het westerse helen van die erfgoederen nu meer gangbaar is dan het stelen.

De niet-westerse beeldhouwkunst is in Nederland weinig geliefd. Een aantal kunstenaars houdt ervan en er zijn wat excentrieke liefhebbers, maar bij het grote publiek doet een masker of voorouderbeeld, ergens in een huiskamer tentoongesteld, vooral denken aan een safari of een andere tropische vakantie-bestemming. Het niet-westerse, antiek ogende sieraad daarentegen - tegenwoordig net zo 'en masse' geproduceerd als het antieke, oosterse meubel en net zo slim voorzien van een laagje slijtage - geniet veel meer populariteit. Het rijke assortiment aan glazen, benen, zilveren en stenen kralen is de westerling ook meer vertrouwd dan een met bloed besmeurd vruchtbaarheidsbeeld.

Toch zal menigeen onwennig opkijken van wat er in de Power & Gold-vitrines in het floodlight ligt: kleinoden en statussymbolen van plantevezels, bananeboom-zaden, veren, apeschedels, beretanden, schildpad, paardehaar, doopvontschelpen, neushoornvogel-snavels, en, natuurlijk, goud, veel goud. Aan oorspronkelijkheid en vindingrijkheid had de rondreizende goudsmid of sieradenontwerper in Indonesië, Maleisië en de Filippijnen geen gebrek.

Niet iedereen mocht zich daar in die verre landen zomaar doordeweeks met van alles en nog wat tooien. Voor het dragen van een apeschedel, omringd door talloze hangertjes van paarlemoer, kwam alleen de moedige koppensneller in aanmerking. Vooral de koppensnellers van het Filippijnse Luzon moeten er beeldschoon hebben uitgezien. Voordat het vijandelijke hoofd van de romp rolde, een noodzakeijke ingreep om vers bloed dus kracht te verkrijgen, zag het slachtoffer nog een flits van een band die zijn moordenaar om de bovenarm droeg, versierd met een fijnzinnig gesneden figuurtje. Om de lendenen hing een ceintuur vol ronde schelpenschijven, afgezet met een net zo zorgvuldig gesneden gesp van hoorn, en de hals was gesierd met een snoer van beretanden, onberispelijk geregen aan plantevezels.

Bij de honderden etnische bevolkingsgroepen van Zuid-Oost Azië stond en staat het sieraad bol van de betekenissen. Het gaf een politieke of maatschappelijke rang aan, het beschermde tegen onheil, kwaadaardigheid, bliksem of onvruchtbaarheid, het diende als bruiddschat en als ruilmiddel, en soms kreeg het zoveel kracht toebedeeld dat het in dozen met dikke wanden moest worden bewaard.

In de hiërarchische samenlevingen van Sumatra, Nias en Oost-Indonesië pronkte vooral de adel met goud en zilver, verwerkt in hoofdtooien, in oorringen van zware, dubbele spiralen en in halssnoeren van het fijnste 'kantwerk'. Aangezien de koloniale machthebbers de inwoners van Timor en Sumba in gouden munten betaalden voor hun paarden, kruiden en bewezen diensten, konden deze 'gerecycled' worden in oogstrelende hoofd- en borstversieringen, om nog maar te zwijgen van de 'koninklijke' oorhangers, waarvan de minuscule ruiterfiguren dankzij beweegbare ledematen, halverwege de hals voor een klein spektakel zorgden. En wat te denken van de vrouwen op de Babar-eilanden, die behalve met barokke gouden kronen ook met gouden schijven ter grootte van een soepbord lieten zien dat het hen financieel voor de wind ging.

In Noord-Luzon, Kalimantan en Sarawak kende men dit onverdiende aanzien van de adel niet. De man moest zich eerst maar eens profileren als krijger, feestenmaker of koppensneller om met ontzag te worden bejegend. Sieraden hielpen hem een handje om dat imago van dappere, potente en onkwetsbare vechtersbaas op te poetsen en in stand te houden. Op Luzon wist men vooral goed raad met paarlemoer, verwerkt in rijke, uitwaaierende borstsieraden. Op Kalimantan bungelden aan mannenoren hoornen houders vol ornamenten, waar met gemak een damesknot in paste. Maar hoe strijdlustig en bloedzuchtig de Dayak op Kalimantan ook geweest moge zijn, zonder hun amuletten - uit hout gesneden, peinzende figuurtjes - bleven ze nergens.

Geen vorm was zonder inhoud. Dat gold voor de architectuur, de kleding, maar vooral voor het sieraad. Kenmerken van de buffelkop duiken steeds op, want als onmisbaar werk- en offerdier symboliseerde het aardse kracht en macht. Men hechtte aan de boot als inspiratiebron, omdat mythen vertellen hoe de voorouders van deze eilandvolkeren dankzij prauwen hier voet aan wal konden zetten. Ook de vogel liet zich niet onbetuigd. Hij staat voor licht, ruimte, spiritualiteit en macht. En wie de vrouwelijke genitaliën in het sieraad tegenkomt, moet vooral aan continuiteit denken, en niet aan iets anders.

Behalve foto's vertellen in het museum ook filmfragmenten uit de jaren twintig hoe men her en der bouwde, vocht en feestte. Het volk van Nias droeg bij ceremoniën hoge, gestileerde takkenbossen op het hoofd en danste desondanks met dezelfde soepelheid die de paradijsvogel ten toon kan spreiden. Op het Filippijnse Mindanao stopte men schelpeschijven zo groot als oorwarmers in de gehoorgang en we kunnen ook zien hoe kleine meisjes, beladen met bundels ringen aan hun uitgezakte oorlellen, met minimale handbewegingen, als vogelvleugels in slow-motion, net zo sierlijk dansten als hun moeder. Onvergetelijk is de filmscène waarop een oudere, donkere Nias-vrouw, bekroond met zo'n zelfde gestileerde tak, traag en meeslepend recht op de camera af danst. Haar trots maakt haar zo mooi dat je mag hopen dat ze deze opname ooit gezien heeft.

Power & Gold moet vooral aantonen wat voor treffende overeenkomsten in wereldbeeld en in concrete zaken als sieraden de volkeren van de Zuid-Oostaziatische archipel met elkaar delen. Het zal best zo zijn dat men daar op grote schaal het idee aanhangt dat 'het leven voortkomt uit de balans van tegengestelde maar elkaar aanvullende elementen', zoals man-vrouw, licht-donker, hemel-aarde, maar wat van deze tentoonstelling vooral bijblijft is hoe fijnzinnig, gevarieerd en waardig men zich mooi wist te maken; en gelukkig niet alleen met al dat 'bovennatuurlijke' goud en zilver, dat al zo vaak op schattententoonstellingen ligt te pronken met zichzelf. De roze snavel van de neushoornvogel, getooid met veren en paarlemoer en te dragen als hoofdversiering, is in al zijn vervreemding een betoverend beeldhouwwerk. Een vervreemding die meer zegt over de kreupele intuitie en inventiviteit van de westerling dan over het sublieme schoonheidsgevoel van de Zuid-Oostaziatische kunstenaar.