'EMU in 1999 is meer politiek dan economisch probleem'

Donkere wolken pakken zich samen boven de Europese Unie. De werkloosheid in Duitsland en Frankrijk stijgt, de economische groei valt tegen, het woord 'recessie' is niet langer taboe. Dat dreigt een domper te zetten op Europa's project van de eeuw: de Economische en Monetaire Unie die op 1 januari 1999 verondersteld wordt van start te gaan. Voor het besluit van de Europese Raad in Madrid, december 1995, over het schema voor de invoering van de gemeenschappelijke Europese munt en over de naam 'euro' hield De Nederlandsche Bank zich verre van gesprekken over de kansen en risico's omtrent de EMU. Bankpresident W. Duisenberg spreekt zich vandaag uit over zijn verwachtingen rond de muntunie, en over de horden die Europa nog moet nemen op de weg naar 1999.

Om aan de gemeenschappelijke EMU-munt te kunnen deelnemen, moeten de EMU-landen over het jaar 1997 voldoen aan vijf criteria: een begrotingstekort van maximaal 3 procent van het bruto binnenlands produkt (bbp), een staatsschuld van maximaal 60 procent van het bbp (of in een bevredigend tempo dalend richting van dat percentage), twee jaar lidmaatschap van het Europese wisselkoersstelsel, en een inflatie en rente die niet veel hoger mogen zijn dan die in de drie landen met de laagste score op dit punt.

Europese politici en prominenten vallen de laatste weken over elkaar heen met de boodschap dat de vorming van de muntunie wellicht niet zal worden gehaald, of dat de stringente voorwaarden voor deelname moeten worden versoepeld of geamendeerd. Een greep uit de oogst van januari: oud-Europese Commissievoorzitter en geestelijk vader van de EMU Jacques Delors, de Franse topbankier Marc Viénot en verscheidene politici uit het kamp der gaullisten, onder wie ook oud-president Giscard d'Estaing. In Duitsland niet alleen de oppositiepartij SPD, maar nu ook de Beierse zusterpartij CSU van Helmut Kohls CDU, in gezelschap van somber kijkende Bundesbank-bestuursleden.

De laatste maanden lijkt het EMU-pessimisme zich meester te maken van Europa. Twijfelt u, nu de economische groei in Europa tegenvalt, aan de haalbaarheid van 1999 als startdatum voor de muntunie?

“Ik deel die twijfel niet. Maar ik zie wel dat het moeilijk aan het worden is om aan alle EMU-criteria te voldoen, door de teruggang in de economische groei en de lager wordende inflatie. Het lijdt voor mij geen twijfel dat Duitsland het zal halen, gezien de trendmatige ontwikkeling van de economische groei en de genomen begrotingsmaatregelen. De sleutel ligt in Frankrijk, al ben ik er enigszins door gerustgesteld dat de regering de noodzakelijke bezuinigingsmaatregelen, tegen al het sociale verzet van eind vorig jaar in, heeft weten door te zetten.

“Het halen van de datum van 1999 is niet zozeer een economisch, maar een politiek probleem. Het gaat allereerst om de afweging van beleid, en minder om de economische omstandigheden waarin dat plaatsvindt. Ik was bijvoorbeeld vorig jaar kritisch over het regeerakkoord van het kabinet-Kok omdat ik het niet eens was met de politieke afweging van lastenverlichting enerzijds en tekortreductie anderzijds. Er wordt nu blijkbaar door sommigen in Europa een dilemma gezien tussen het handhaven van de criteria en de datum van 1999. Maar de criteria zijn rationeel vastgesteld, en in het volle besef van de betekenis daarvan is destijds die datum vastgezet door de 'hogere politiek', om het momentum in het proces te behouden.”

Niet alleen de lage economische groei, maar ook de lage inflatie van tussen de 1 en 2 procent maakt het terugdringen van de tekort- en staatsschuldquoten extra moeilijk. Zijn de centrale banken wat dit betreft slachtoffer van hun eigen succes?

“De criteria zijn indertijd vastgesteld door een commissie onder leiding van Europees Commissievoorzitter Jacques Delors, waarin ik zelf zitting had. De uitgangspunten daarbij waren een reële economische groei van 2,5 tot 3 procent bij een inflatie van nul tot twee procent. De begrotingstekorten bedroegen destijds gemiddeld 3 procent. Uitgaande van al die vooronderstellingen kwam een maximaal toelaatbare schuldquote van 60 procent uit de bus. De inflatie die we nu kennen, ligt dus in de berekening van de criteria besloten.”

Is het achteraf bezien een gelukkige beslissing geweest om de datum van 1999 zo strak vast te leggen?

“Ja, want het heeft met zich meegebracht dat de lidstaten onder tijdsdruk zijn gekomen om hun overheidsfinanciën te saneren. Maar ik betreur wel dat de vastberadenheid om het begrotingstekort omlaag te brengen nu in verband wordt gebracht met 'Maastricht'. De monetaire unie krijgt nu de schuld van alle offers die voor het terugbrengen van het tekort moeten worden gebracht. Maar Maastricht of geen Maastricht, het saneren van de overheidsfinanciën is een noodzaak. We moeten streven naar het verminderen van de rentelasten op de begroting, zeker ook met het oog op de toekomst. De extra kosten van de oudedagsvoorziening, bijvoorbeeld, zullen door de vergrijzing over 25 jaar zo'n 5 tot 6 procent van het bruto binnenlands produkt bedragen.”

Toch blijkt, met name in Frankrijk, die boodschap moeilijk over te brengen.

“Op de korte termijn is het niet te ontkennen dat bezuinigingen drukkend werken op de economie en wellicht de werkgelegenheid. Maar voor de lange termijn is een stringent financieel beleid onontkoombaar. Lagere tekorten en schulden drukken de rente en zijn goed voor de economie. In de periode van de jaren tachtig dat de staatsschuld in Nederland omlaag ging, zijn er gemiddeld 125.000 banen per jaar bijgekomen. Dat zie je nu weer: in het afgelopen jaar zijn er, bij een teruglopend tekort, 100.000 banen bijgekomen.”

Bent u voorstander van een gebalanceerd budget, zoals nu in de Verenigde Staten wordt nagestreefd?

“Een structureel begrotingstekort van een procent lijkt mij in de Europese Unie aanvaardbaar. Je ziet in de gehele industriële wereld een tendens naar lagere begrotingstekorten, zowel in de Verenigde Staten, Canada als in Europa. In de Verenigde Staten hebben de verschillende deelstaten geen uniform regime voor hun financiële beleid, maar daar is wel een traditie die uitgaat van een gebalanceerd budget. Dat in Europa wel criteria nodig waren, komt mede omdat we zo'n eensluidende traditie op het gebied van overheidsfinanciën niet hadden.”

Is de muntunie zonder Duitsland en Frankrijk denkbaar?

“Nee. Zonder Duitsland is de EMU niet denkbaar. En stel dat Frankrijk zich niet kwalificeert: dan heeft Duitsland er geen belang bij de Bundesbank op te offeren voor een muntunie met alleen België, Nederland en Oostenrijk.”

De Spaanse minister van buitenlandse zaken Carlos Westendorp zei dat de muntunie er alleen in 1999 kan komen als tenminste een van de drie grote economieën naast het blok van Duitsland en Frankrijk ook meedoet: Italië, Spanje of het Verenigd Koninkrijk. Wat vindt u daarvan?

“Als Westendorp daarmee bedoelt dat daarvoor de criteria opzij zouden moeten worden geschoven, ben ik het niet met hem eens.”

De commerciële banken drongen de afgelopen dagen tijdens de Ronde Tafelconferentie over de Europese munt aan op meer duidelijkheid over de haalbaarheid van 1999. Zij zijn het die straks bij de invoering van de euro in de frontlinie staan. Mocht er een gerede twijfel zijn aan de haalbaarheid van 1999, hebben zij dan niet het recht om dat zo vroeg mogelijk te weten? Zoals nu bijvoorbeeld?

“Ik zou zeggen: zeg het juist niet nu, in godsnaam niet. We halen het: daar moet de politiek van uit blijven gaan. De onzekerheid onder de banken spitst zich vooral toe op het feit dat het tot de Europese top in januari 1998, wanneer bepaald wordt welke landen zich voor de muntunie kwalificeren, niet vast staat hoe de muntunie er uit gaat zien. De veranderingen die de banken moeten doorvoeren, kunnen daarna pas daadwerkelijk worden doorgevoerd. In alle waarschijnlijkheid maken Duitsland, Frankrijk en de Benelux in ieder geval deel uit van de muntunie. Oostenrijk zal er nog een zware dobber aan krijgen om zich te kwalificeren.”

De mogelijkheid dat er geen muntunie komt per 1999 wordt door Europese topfunctionarissen, waaronder Commissie-voorzitter Santer en Eurocommissaris Thibauld de Silguy, gezien als een catastrofe voor de Europese integratie. Is het werkelijk zo dramatisch?

“Als er geen muntunie komt, dan wordt het Verdrag van Maastricht geschonden. Dat verdrag is wet, dus je handelt dan in strijd met die wet. Politiek kan dat in Europa een proces inluiden van desintegratie, met sterk schommelende onderlinge wisselkoersen, een grote druk op de interne markt en vervolgens protectionistische tendensen tussen de lidstaten van de Europese Unie.”

Het Verdrag laat, in een bijzin, ruimte voor uitstel.

“Daar zijn de juristen geloof ik nog niet helemaal uit. Mijn grootste vrees is dat uitstel een wijziging van het verdrag vergt, dat verdrag vervolgens terugmoet naar de nationale parlementen en daar verwatert. Een of twee jaar uitstel vind ik een glijdende weg. De verhalen dat het nu economisch wat moeilijker gaat vind ik geen reden om daar nu over te gaan praten. Zelfs praten over uitstel van een paar maanden, al was het om technische redenen, is onverstandig.”

Van Britse en Italiaanse kant wordt er de laatste tijd sterk op aangedrongen een oplossing te zoeken voor de verhouding tussen de 'euro' en de munten van landen die straks buiten de muntunie staan. Zijn daar al ideeën over?

“Dat is op dit moment het belangrijkste punt van overleg tussen de centrale banken. Het wisselkoerssysteem van het EMS is in feite een contract tussen de centrale banken, dat met de komst van de EMU ophoudt te bestaan. Er zal iets nieuws voor in de plaats moeten komen, dat de verhouding tussen de leden van de muntunie en de buitenstaanders, de 'derogatielanden' regelt.

“In het Verdrag van Maastricht is vastgelegd dat iedere lidstaat er naar streeft om aan de EMU-criteria te voldoen. Ook de derogatielanden moet de discipline worden opgelegd om de overheidsfinanciën op orde te brengen. Bovendien willen we geen concurrerende devaluaties van de landen die buiten de EMU-blijven.

“De Europese Raad van Madrid heeft het Europees Monetair Instituut en de centrale banken in december vorig jaar verzocht om na te denken over een oplossing. Een systeem op basis van reële wisselkoersen is denkbaar, waarin de koers van een munt ten opzichte van de 'euro' mag afwijken op grond van onderlinge prijsverschillen tussen het land in kwestie en de landen van de muntunie. De discussie tussen de centrale banken is nu zover dat er over wordt gedacht om een differentiatie toe te passen in de verhouding van de verschillende munten van de lidstaten en de euro. De munt van een land dat nog ver verwijderd is van deelname aan de muntunie mag dan bijvoorbeeld maximaal vijftien procent afwijken van een afgesproken spilkoers met de euro, maar een land dat al verder is met het voldoen aan de Maastricht-criteria, zou dan een nauwere bandbreedte kunnen krijgen. Zo vaar je een munt via een steeds nauwere poort de EMU in. Ik ben zelf voor zo'n differentiatiemodel.

“Ook zal het nieuwe wisselkoerssysteem asymmetrisch en unilateraal moeten zijn: als een munt van een derogatieland te sterk af begint te wijken, dan zal dat land, en niet de EMU, de plicht moeten hebben zijn beleid aan te passen en zijn wisselkoers te verdedigen.

Tussen de vergadering van januari 1998, waarop de deelnemers worden vastgelegd, en 31 december, waarop de munten van die landen worden vastgeklonken, kan een periode ontstaan van hevige speculatie op de valutamarkt. Beleggers weten dan al welke munten er meedoen, maar de onderlinge verhouding in nog niet vastgelegd. Maakt u zich daar zorgen om?

“Natuurlijk zal er dan gespeculeerd gaan worden. Daar moet je de kop niet voor in het zand steken. De centrale banken ligt in die periode een grootse taak te wachten, want zij zullen de stabiliteit tussen de valuta's van de deelnemers moeten handhaven. We zullen, indien nodig, de rente als wapen tegen speculatieve aanvallen moeten inzetten, evenals interventies op de valutamarkt.”

Welke doelstelling wordt daarbij gehanteerd?

“De spilkoersen die de munten in het wisselkoerssysteem van het Europese Monetaire Stelsel ten opzichte van elkaar hebben. Over de maximale bandbreedte waartussen zij in die specifieke periode tegenover elkaar zullen mogen fluctueren, kan ik niets zeggen. Laat ik het er op houden dat zal worden geprobeerd de koersen praktisch stabiel te houden. Er mag geen land worden toegestaan om op het laatst nog aan concurrentiepositie te winnen door tegen een lagere koers in de muntunie te komen.”

De gulden maakt tegenover de Duitse mark een ondergewaardeerde indruk. Loopt die in die periode gevaar te worden opgestuwd?

“Onze concurrentiepositie ten opzichte van Duitsland is, mede door de gematigde loonontwikkeling hier en de loonstijging in Duitsland, de laatste twee jaar verbeterd. De bijbehorende appreciatie van de gulden heeft al plaatsgevonden: de spilkoers ten opzichte van de mark is 1,1267 gulden, maar de wisselkoers is al tijden constant rond 1,1198 gulden. De kracht van de gulden maakt het daarbij mogelijk om sinds een half jaar een lagere rente aan te houden dan in Duitsland. Maar de loontwikkeling in Duitsland matigt dit jaar al weer flink.”

De vergadering van de zeven grootste industrielanden, de G7, was afgelopen weekeinde in Parijs optimistisch over de economische vooruitzichten en gaat er van uit dat de economie in de tweede helft van dit jaar, mede door een stijgende dollarkoers, weer aantrekt. Maar gisteren lekte een Duits officieel regeringsrapport uit waarin wordt uitgegaan van slechts 1,5 procent economische groei in 1996. Wat is uw diagnose?

“Over wisselkoersen doe ik geen voorspellingen. Ik deel de huidige zorg over de economische conjunctuur niet, ook niet wat betreft Duitsland. Ik hoor van Tietmeyer (president van de Bundesbank, red.) ook andere signalen. De huidige lage rente zal een positieve invloed hebben op de economische ontwikkeling, maar het duurt altijd even voordat dat effect doorwerkt. Nederland houdt zich overigens goed staande in de huidige groeivertraging. Ik ben er tevreden over dat niet alleen door de Nederlandsche Bank maar ook door de regering een op stabiliteit gericht beleid wordt gevoerd. Dat werpt nu zijn vruchten af. De economische fluctuaties in de landen om ons heen gaan ons grotendeels voorbij.”

Dreigt deze waardering voor het regeringsbeleid u, bij de presentatie van het jaarverslag van De Nederlandsche Bank in april, niet zonder munitie te laten?

“Maakt u zich geen zorgen. Ik heb nog genoeg om ontevreden over te zijn.