Een klimaat met gebruiksaanwijzingen

GAMMELSTRÄNG, -22,5 C. Kent u dat verhaal van Marco Polo? Dat van die Rus, die met zijn baard aan de grond vastvroor tijdens de beademing van zijn gade, wier onderzijde tijdens hoge nood door hetzelfde lot getroffen was? Dat verhaal heeft altijd tot mijn verbeelding gesproken. Maar ik geloofde er niets van. Hier, in Zweden, pak ik met vochtige vingers een stalen haakje beet. En opeens, na al die jaren, geloof ik Marco. Nou ja, een beetje.

In het Italiaans heet Polo's boek 'Il Miglione', niet het minst omdat Marco zo fraai overdrijven kon. Maar ook ik kan overdrijven. Een beetje. Want die -22,5, daar was ik niet bewust bij. Toen sliep ik. Het is de geavanceerde thermometer die ons weet te vertellen dat het 's nachts zo koud is geweest. Overdag warmt het behoorlijk op, tot tussen de min vijftien en min twintig. Onder meer door de zon, die om kwart voor tien boven de heuvelrand verschijnt en daarachter om kwart voor twee weer verdwijnt.

En die temperatuur, daar wen je aan. Na een paar dagen hebben we het bij -17 al over 'een zwoele avond'.

De bomen schitteren van de rijp. Veel sneeuw is er niet. Daardoor is die afgehakte elandskop op het erf van de buren voor een deel nog te zien. Vooral het gewei.

Buiten mag het koud zijn, binnen is het warm. Een kamertemperatuur van boven de 20 C is eerder regel dan uitzondering. Ter compensatie, neem ik aan. Datzelfde geldt voor de zeeën van licht die, temidden van alle donkerte, uit de raampjes van de houten huizen stromen. Sprookjesachtig knus.

Die houten huizen zijn overigens geweldig goed geïsoleerd, dat waar wij te gast zijn deels met pulp, gemaakt van oude kranten. (Vóór het wandelen blazen we eerst alle kaarsjes uit). Het huis wordt verder centraal verwarmd door een superrenderende houtkachel, die het hout bovendien zó compleet verbrandt dat uitstoot van schadelijke 'PAK's' tot een minimum wordt gereduceerd. Dat is ook goed nieuws voor de schoorsteenvegers. Voor hen staan de ladders tegen vrijwel alle daken permanent gereed.

Gammelsträng. 'Gammel' betekent gewoon 'oud', en 'äng' is 'eng'. 'De Oude Eng' dus. Zweeds is niet zo moeilijk, zolang ze maar niks zeggen.

Daarom spreken ze Engels tegen ons: “Eigenlijk is het beter als je 's ochtends je gezicht niet wast.” En vet mag er ook niet op, want in vrijwel ieder vet zit water. Het gevaar daarvan wordt duidelijk bij een wandeling over het bevroren meer. De vrieswind slaat als een soort Dracula in je kaken. Er is verder niemand te zien. Of toch? Daar komen twee stipjes aan, voorafgegaan door dreunend ijs. Twee dravers zijn het. Dit gebied, zo'n driehonderd kilometer boven Stockholm, is hèt fokcentrum voor de drafsport. Verplicht snelwandelen voor paarden. Vol gas in je twee.

Net als de Zweedse auto's staan deze viervoeters in de winter 'op scherp'. De gezichten van de pikeurs gaan schuil achter een masker tegen de vorst. Aan het begin van de winter maken ze eerst een proefrondje over het meer met de auto.

Dit is een klimaat met gebruiksaanwijzingen die voor ons niet vanzelf spreken. Voor hen wel.

Ik mocht de auto lenen. “Nog iets speciaals”, vroeg ik. “Nee, niks”, zei onze gastheer. Bij het achteruitrijden, al meteen een knal. Blijkt de auto van voren in een stopkontakt te zitten. Dan start-ie beter en stap je niet in een vrieskast. Nee, integendeel. Na een stukje rijden denk je: “Wat voel ik toch?” Blijkt er in de zitting een soort 'billen-gril' te zijn ingebouwd.

Het rijden zelf doe je met iets van ongeloof. Sneeuw? IJs? 'Zoab'? Geen probleem. En dat alleen door nauwelijks voelbare ijzertjes in de banden die je met geen mogelijkheid spijkers noemen kan.

Dat we in Nederland in een park wonen, dat merk je hier. Iedere 500 meter een ANWB-paddestoel, iedere kilometer een uitspanning. Dat zijn we gewend. Hier, niks. Nee, als je hier een echte wandeling maakt, neem je zelfs je bijl mee. Je bent hier geheel op jezelf aangewezen en je moet dus op alles zijn voorbereid. Er kan een sneeuwstorm komen, je kan je enkel verzwikken, of parkbewoners zoals wij kunnen bij gebrek aan paddestoelen de weg kwijtraken. Met die bijl hak je dan hout voor een vuurtje. Zonder bijl gaat je eigen vuurtje anders langzaam uit. (Maar je blijft daarna wel een tijdje goed).

Even alleen met de natuur. Naar het bevroren meer, alleen in de nacht. Stap, stap door de sneeuw. Wat een lawaai maakt dat! Hoe diepgevrorener de sneeuw, hoe meer lawaai. Net alsof je over piepschuim loopt.

Eenmaal bij het ijs, doe ik een paar wantrouwige stappen. Als nu... Maar er gebeurt niets. Toch durf ik niet veel verder naar het midden. Ik sta stil. Oorverdovend stil nu. Ik kijk omhoog. Geen maan, maar wát een sterren! En dit zijn échte. Een dof gerommel, donder, gekraak. De ijsvloer scheurt. Instinctief doe ik een stap richting oever. Een nieuwe scheur, precies tussen mijn voeten lijkt het wel. Maar dit is draversijs, Volvo-ijs.

Weer op de wal, richt ik mijn blik nog eens ten hemel. Mijn gastheer heeft me verteld hoe het is bij -24 C, gitzwart ijs: Alsof je door de kosmos zweeft. Met onder je, bijna stellaire explosies.

Ook iemand anders uit Gammelsträng reed over ditzelfde meer, zo horen we. Maar dan met zijn hoofd uit het raam, om het bewustzijn niet te verliezen. Dat kwam zo.

De man, een boer, was aan het werk, ver weg in het bos. Hij was bezig met het weer op gang brengen van een grijper, bedoeld voor bomen. Het lukte. De grijper greep. Zijn vingers. Naar het ziekenhuis! Meteen! Maar... hij was ver weg, in het bos. Eerst op de trekker, naar de auto. Zwaar gewond aan beide handen. Dat rijdt niet goed. Toen met de auto over het meer, hoofd uit het raam. Naar huis. Daar aangekomen trok hij eerst een schoon overhemd aan. Daar zijn alle bronnen het over eens. Een boer wil niet rommelig naar de dokter. Anderen beweren dat hij zelfs nog onder de douche is gegaan. Marco Polo had hem waarschijnlijk ook nog een das laten strikken.

Hij is de beste reclame voor een draagbare telefoon. Hij heeft er na zijn 'restauratie' meteen een gekocht. Maar dan moet je wel ten minste één vinger overhouden.

Taai zijn ze hier.

    • Joost Overhoff