Een hoger plan

Ontwaakt!, 22 januari 1996. Uitgegeven door de Watchtower Bible and Tract Society. ISSN 0005-237 X

'Elke ochtend is een wonder. Diep binnen in de ochtendzon fuseert waterstof bij temperaturen van miljoenen graden tot helium. Röntgenstralen en gammastralen van een ongelooflijke destructieve kracht stromen uit de kern naar de omringende lagen van de zon... Duizenden jaren later maakt de eens dodelijke straling zich ten slotte los van de zon als een aangename vloed van geel licht - niet langer een bedreiging, maar precies goed om de aarde te koesteren met haar warmte'. Zo begint Ontwaakt! van 22 januari. Ontwaakt! is, evenals de Wachttoren, een tijdschrift van Jehova's Getuigen. Het verschijnt in een miljoenen-oplage in vele talen en heeft als belangrijkste doel 'het opbouwen van vertrouwen in de belofte van de Schepper dat hij een nieuwe wereld van vrede en zekerheid tot stand zal brengen die het huidige goddeloze, wetteloze samenstel van dingen binnenkort zal vervangen', aldus de verantwoording. Het nieuwste nummer bevat drie fraai geïllustreerde artikelen over 'het ontzagwekkende heelal'.

Enkele jaren geleden was Ontwaakt! gewijd aan de evolutietheorie. Redacteur Felix Eijgenraam, die het nummer besprak, was verbaasd over het hoge wetenschappelijk gehalte - de evolutietheorie werd voor de leek heel bevattelijk uitgelegd en het nummer was zeer actueel. Het bevatte vrijwel geen fouten. Dat is met dit nummer helaas iets minder.

Het eerste artikel is grotendeels gewijd aan de theorie van de Oerknal: het ontstaan van het heelal. Hierbij wordt slechts één aanwijzing voor deze theorie genoemd - het bestaan van de kosmische achtergrondstraling - terwijl er onderhand al meerdere aanwijzingen zijn gevonden. In het artikel wordt ook ingegaan op vragen waarop nog geen duidelijk antwoord bestaat, zoals de 'jonge' leeftijd van het heelal (jonger dan de oudste sterren) en het ontstaan van structuren in de verdeling van sterrenstelsels: de zogeheten 'gatenkaas-structuur' van het heelal.

Het tweede artikel begint met het ontstaan en de dood van sterren en de exotische objecten die er na hun dood kunnen achterblijven, zoals neutronensterren en zwarte gaten. In bijvoorbeeld de Orionnevel, die op de omslag van het blad prijkt, kan dit geboorteproces bij wijze van spreken op de voet worden gevolgd. Deze nevel wordt daarom wel een 'kosmische kraamkamer' genoemd. In het aangrenzende sterrenbeeld Stier bevindt zich de Krabnevel: het overblijfsel van een ster die in het jaar 1054 zijn laatste adem uitblies.

Ten onrechte wordt hier de indruk gewekt dat de afstanden van 'zelfs sterren in onze eigen achtertuin, zoals de beroemde rode superreus Betelgeuze in Orion, onderhevig zijn aan giswerk'. De afstand van Betelgeuze zou variëren van 300 tot ruim 1000 lichtjaar, terwijl toch al lang bekend is dat hij ongeveer 650 lichtjaar bedraagt, met een onzekerheid van hooguit 50 lichtjaar. Tevens wordt ten onrechte gesuggereerd dat de gatenkaas-structuur in het heelal 'serieuze twijfels hebben doen rijzen aan de oerknalthorie'. Het probleem is alleen dat men nu nog niet kan verklaren hoe deze structuur al relatief kort na het ontstaan van het heelal zèlf kan zijn ontstaan.

Gebeurt het zaaien van twijfels in de eerste twee hoofdstukken nog op bescheiden schaal, in het derde hoofdstuk raken de wetenschappelijke normen en waarden geheel zoek. In dit hoofdstuk worden vragen op tafel geworpen die de mensheid al duizenden jaren bezig houden: Waarom zijn wij er? Is er een God? Waar gaan wij heen bij onze dood? Waar vinden wij de antwoorden op deze vragen? Zijn zij in de sterren te vinden?

De auteur haalt uit hun verband gerukte fragmenten aan van astronomen en fysici zoals Fred Hoyle, John Barrow en Frank Tipler, die in hun boeken vragen hebben gesteld die meer op het gebied van de filosofie en metafysica liggen. Is het heelal er nu voor ons, of zijn wij er voor het heelal? Heeft het heelal in zekere zin geweten dat wij zouden komen? Bestaat er wellicht een hoger plan dat er voor zorgt dat het heelal geknipt is voor de mens?

Deze fragmenten worden gebruikt om bij de lezer twijfel te zaaien over de waarde van de fysische kennis die astronomen hebben vergaard over het heelal en alles wat zich daarin bevindt. 'Misschien zal iets van het huidige kosmologische giswerk (sic!) correct blijken, misschien ook niet - net zoals zich misschien werkelijk materie samenvoegt tot planeten in de spookachtige gloed van de Orionnevel, en misschien ook niet'.

De schrijver maakt hier de fout dat hij de vragen die astronomen tijdens hun wetenschappelijke werk stellen op één hoop gooit met de vragen die astronomen (en anderen) stellen als zij over het doel of de zin van alles filosoferen. Dit zijn terreinen die ver uit elkaar liggen. In de sterren vinden wij antwoorden op de vraag hoe het heelal is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, maar niet over de vraag waarom wij op aarde zijn en waar wij na onze dood heen gaan. En geen enkele astronoom pretendeert ook deze vragen te kunnen beantwoorden.

Aan het slot van het artikel krijgen de astronomen nog een aai over hun bol, want 'dit alles is geenszins bedoeld om het harde werk van oprechte wetenschappers, kosmologen inbegrepen, te kleineren. Jehovah's Getuigen waarderen vooral hun vele ontdekkingen met betrekking tot de schepping die de macht, de wijsheid en de liefde van de Ware God, Jehova, onthullen'.