De Kamer en Fokker

DE TWEEDE KAMER heeft het minister Wijers (economische zaken) niet moeilijk gemaakt. De minister kreeg brede steun voor zijn opstelling in de laatste dagen van Fokker, en daarmee ook voor zijn opstelling ten aanzien van industrie- en technologiebeleid. Geen onbeperkte steun voor een zogenoemde speerpuntindustrie als er geen uitzicht is op bestaanszekerheid. Geen blanco cheque voor het behoud van de samenwerking met een buitenlands industrieel-technologisch complex. Deze opstelling werd door critici en gedupeerden afgedaan als een staaltje van Hollandse zuinigheid. Ten onrechte.

De problemen die zich opstapelen als ondernemingsverliezen door de staat worden bijgepast, laten zien waartoe het verkeerde soort steunbeleid kan leiden. In veel Europese landen, met name in Frankrijk en Zuid-Europa maar tot enkele jaren geleden ook in Duitsland, is dat gebruik. Maar de overheid komt vroeg of laat in last naarmate de miljardenverliezen zich verder opstapelen. Als dan uiteindelijk toch een streep wordt getrokken en bedrijven worden gedwongen tot saneringen, gaan de werknemers ontgoocheld de straat op. Zoals eind vorig jaar in Frankrijk. Een zakelijke opstelling is, zoals Wijers zei, niet harteloos.

HET CDA VOERDE in het Fokker-debat van gisteren oppositie met het Oranjegevoel van Kamerlid Mateman. Dat liep niet goed af. In woordenwisselingen die aan venijnigheid niets te wensen overlieten, maakten de vertegenwoordigers van de regeringspartijen korte metten met de oppositie. Mateman zag zich genoodzaakt zijn eerder dreigement met een motie van afkeuring aan het adres van de minister in te slikken en in zijn verdediging voor het behoud van Fokker zwabberde zijn argumentatie. Dat de CDA-afgevaardigde zich als woordvoerder opwierp van het personeel, de vakbonden en de bedrijfsleiding van Fokker, viel wel te begrijpen. Maar met demagogie valt een noodlijdend bedrijf niet te redden - en evenmin deugdelijke oppositie te voeren.

Het steunbeleid aan Fokker dat het CDA kennelijk voorstaat, draagt de kiem in zich van een nostalgische industriepolitiek. De overheid moet op emotionele gronden bedrijven financieel steunen, ook als daarvoor bedrijfseconomisch geen rechtvaardiging meer bestaat. Juist deze politieke bemoeienis met de bedrijfsvoering van ondernemingen heeft tot zoveel ellende geleid, met Fokker als tragisch verlopen voorbeeld.

EEN PARLEMENTAIR onderzoek naar de gang van zaken bij Fokker, zoals deze week wel is geopperd, heeft dan ook weinig zin. Dat onderzoek zou moeten worden uitgevoerd in de archieven van Fokker, DASA en Daimler-Benz en die bedrijven zullen zich daarvoor niet lenen. Het parlement zou aan zelfonderzoek kunnen doen en zich kunnen afvragen waarom het zo lang bij de betrokken bewindslieden heeft vastgehouden aan de industriële jongensdroom van een eigen vliegtuigfabriek. Nu komen bijvoorbeeld direct betrokkenen met berichten in de openbaarheid, dat ze zich terdege bewust waren hoe zwak Fokker er voor stond toen het verkocht werd aan DASA.

Het getuigt van politieke nuchterheid dat de woordvoerders van de regeringspartijen de lijn van 'goed of fout, mijn Fokker' hebben losgelaten. Dat maakt nadenken over de toekomst van de levensvatbare onderdelen van het bedrijf, en de steun die de overheid daaraan op tijdelijke basis zou kunnen verlenen, gemakkelijker.