Bouw van vliegtuigen draagt bij aan zelfrespect van natie; 'Fokker hoort bij ons nationale luchtgevoel'

HOOFDDORP, 24 JAN. De rest van Nederland wil er nog niet aan, maar bij Fokker weten ze het zeker. Het bouwen van vliegtuigen draagt bij aan het zelfrespect van de natie.

“Zoals de Deltawerken bij ons nationale zeegevoel horen, zo hoort Fokker bij het luchtgevoel”, zegt P. de Raaf, zonder een spatje ironie. Hij is Fokkeriaan, dat wil zeggen: Fokker-werknemer en tegelijk ook voorzitter van de F-27 Friendship Association, een soort supportersclub van het hele 'oeuvre' van de 77-jaar oude vliegtuigfabrikant.

“Fokker is van ons allemaal”, zegt hij. “Ik heb een passie voor Fokker. Fokker is voor mij een leefwijze. Wat het precies is, dat kun je niet uitleggen, het is een kwestie van beleven. Je vindt luchtvaart geweldig, je vindt Fokker geweldig. Je zuigt het op als je 's ochtends naar je werk gaat, alsof je iedere dag en nieuw shot krijgt. Werken voor Fokker is een voorrecht. Ik ben dagelijks bezig met wat wij als land hebben voortgebracht.”

De Raaf, die op z'n twaalfde al vliegtuigen kon herkennen aan het geronk van de motoren, gaat ongemerkt over in de voltooid verleden tijd. “Fokker heeft veel voor Nederland betekend.” Ook hij houdt er rekening mee dat hij vandaag of morgen, na 21 jaar trouwe dienst, niet meer bij Fokker werkt. De F-27 Friendship Association zal 's lands industrieel erfgoed in het 'post-Fokker tijdperk' met zorg blijven beheren.

De Raaf, die een gouden Fokker Friendship op zijn revers draagt, verenigt in de Fokker-fanclub 900 gelijkgestemden, van wie tachtig procent Fokkeriaan is. Er moet veel gebeuren om de herinnering aan Fokker levend te houden, daarom heeft de voorzitter academici benaderd om de bedrijfshistorie op te tekenen. Ook wil hij dat er een Fokker-museum komt.

Door de sluiting van Fokker gaat er niet alleen veel prachtwerk verloren, ook de nationale eer wordt aangetast, vindt De Raaf. En dat schijnt minister Wijers (Economische Zaken) niet te beseffen. “Het is typisch Nederlands om niet trots te zijn op je land. Dat wordt al gauw gênant gevonden. Ondertussen is de textiele nijverheid uit Nederland verdwenen, de scheepsbouw, de automobielindustrie bijna en nu valt het doek voor de vliegtuigbouw. Helaas is het de Nederlanders niet gegeven om zich dat aan te trekken. Pas nu het te laat is, begint het grote publiek een beetje Fokker-minded te worden.”

Typisch Hollands is overigens de beeldspraak waarin de ondergang van Fokker wordt gevat. “In het zicht van de haven is er een gat in de romp geschoten”, zei de bestuursvoorzitter van Fokker, B. van Schaik. De Fokker-kleuren - oranje, wit en blauw - lijken niet bij toeval op die van de nationale vlag. Had premier Kok daaraan gedacht toen hij vorige week vrijdag voor het beslissende gesprek met Daimler-Benz-topman Schrempp, grootaandeelhouder van Fokker, een oranje met blauwe stropdas aantrok?

Jammer dat het niet mocht baten, vindt vliegtuigspotter M. van der Plas. Met een scanner in de ene en een verrekijker in de andere hand brengt hij de dag door langs de winderige Kaagbaan van Schiphol. De sluiting van Fokker noemt hij een “nationale ramp”, vergelijkbaar met de watersnood van vorig jaar. “Met Fokker is het net als met de dijken, daar hoor je in te investeren in het belang van het hele land”, zegt hij.

Van der Plas voelt zichzelf chauvinistisch genoeg om alles wat Fokker maakt mooi te vinden. “Neem de nieuwe F-100”, zegt hij. “Schitterend ontwerp, slanke lijnen, ik ben er gewoon verliefd op.” Dat er drie F-100's door hun landingsgestel zijn gezakt en dat er eentje bij Skopje is neergestort, doet volgens hem niets af aan de 'wereldklasse' van het toestel.

Het 'economisch nationalisme' speelde ook bij de Duitse overname van Fokker in 1993. De Raaf van de F-27 Friendship Association herinnert zich nog dat oudere Fokker-werknemers uitriepen: “Hebben jullie dan helemaal niets van de oorlog geleerd?”

Anthony Fokker, de grondlegger van de fabriek, was weliswaar in de Eerste Wereldoorlog in Duitsland begonnen, maar in de Tweede Wereldoorlog waren het de Duitsers die de Fokker-vestigingen in Nederland plat bombardeerden. Nu Daimler-Benz Fokker laat vallen, speelt “de oerclash tussen Nederland en alles wat Germaans is” weer op, zegt De Raaf.

Op hun eigen Internet-pagina's geven Fokker en DASA, onderdeel van Daimler-Benz, elk een eigen draai aan de eigendomsverhouding. Fokker spreekt van 'deelname' van DASA, terwijl DASA het over de 'overname' van Fokker heeft. Om niet al te hard tegen het zere been te schoppen noemen de Duitsers Fokker nog wel een “Dutch manufacturer”.

Wie het Fokker-gevoel heeft, weigert Fokker als een Duits bedrijf te zien. “De Duitsers betalen onze salarissen”, zegt R. van Oeveren, hoofdredacteur van het bedrijfsblad Fokker Forum, “maar wij maken voor dat loon een door en door Nederlands produkt”. Een Nederlands produkt? De romp komt uit Duitsland, de vleugels zijn Iers, de motoren Brits (Rolls Royce) en het landingsgestel is van Amerikaans fabrikaat.

Een groot deel van de Fokker-werknemers is “opgegroeid met het bedrijf”, zegt Aad Klingers, die met zijn vijftien dienstjaren als betrekkelijke nieuwkomer geldt. Dat zou verklaren waarom zij zich zo vereenzelvigen met Fokker. “Je hebt een Fokker-schietclub, een Fokker-wielrenclub, noem maar op. Ook komen Fokker-huwelijken relatief veel voor.”

Vroeger had de koninklijke vliegtuigfabriek een eigen tandarts, die je gratis kon consulteren, en een bedrijfskapper, die knipte voor een kwartje. Nog steeds is er een zogeheten Voorzieningenfonds dat kunstgebitten, brilleglazen en prothesen deels vergoedt.

Maar tegenover het gevoel dat de onderneming voor je zorgt, stond jarenlang de onzekerheid van haar voortbestaan. Klingers heeft dan ook altijd rekening gehouden met de mogelijkheid van ontslag. Nu dat waarschijnlijker is dan ooit tevoren, blijft hij het hoofd koel houden. Het zal moeite kosten, maar hij komt wel weer aan de slag, verwacht hij. En ook Nederland komt er wel weer bovenop: “Bij de reddingsoperatie van RSV speelde het argument mee dat we een zeevarende natie zijn, maar we blijken best zonder die scheepsbouwer te kunnen.”

    • Frank Westerman