Werkelijke macht in Burundi ligt op straat

BUJUMBURA, 24 JAN. Opgejaagde Hutu's in en buiten Burundi hebben hun hoop gevestigd op de Verenigde Naties: de internationale gemeenschap zou moeten interveniëren in de steeds heviger wordende burgeroorlog in het Middenafrikaanse land. “We vierden feest in ons vluchtelingenkamp toen begin dit jaar VN-secretaris-generaal Boutros Boutros-Ghali bekendmaakte troepen te willen sturen”, zegt Leonard Niyizigha, die zijn woongebied in het noordwesten is ontvlucht. “Maar waarom is er sinds zijn aankondiging niets meer gebeurd? Bestaat er nog hoop voor ons?”

De kans dat het daadwerkelijk tot een interventie komt in Burundi is echter zeer klein. Buitenlandse diplomaten in de hoofdstad, Bujumbura, verheffen nauwelijks meer hun stem tegen de bloedbaden en etnische zuiveringen, die onverminderd doorgaan. Maar belangrijker dan de onwil van de internationale gemeenschap om haar vingers te branden aan een ingewikkeld Afrikaans conflict, is de oppositie binnen Burundi zelf. “Het zenden van een vredesmacht naar de regio zal de situatie in Burundi onmiddellijk doen verslechteren”, zegt oud-president Pierre Buyoya. “De verscheidene politieke en militaire groepen zijn het oneens over een eventueel ingrijpen van buitenaf en daarom zal zo'n interventie polariserend werken. Alleen als er eerst een politiek akkoord wordt bereikt tussen de Burundische politici, kunnen buitenlandse militairen een positieve bijdrage leveren. De oproep van Boutros-Ghali om troepen te sturen komt voort uit een schuldgevoel bij de internationale gemeenschap dat zij niets heeft gedaan om de genocide in Rwanda te voorkomen.”

De militair Pierre Buyoya was de eerste Tutsi-president die, toen hij van 1987 tot 1993 aan de macht was, de noodzaak inzag van een machtsdeling tussen Hutu's en Tutsi's. Er moest volgens hem geleidelijk een einde worden gemaakt aan de eeuwenoude Tutsi-dominantie in de politiek en het zakenleven, op de scholen en de universiteit, in het veiligheidsapparaat en de ambtenarij. Hij verdeelde de kabinetszetels evenredig tussen Hutu's en Tutsi's en organiseerde in 1993 voor het eerst meer-partijenverkiezingen. Maar zijn ideaal om geleidelijk een einde te maken aan de traditionele tegenstellingen, vond onvoldoende weerklank in de samenleving. De nieuwgekozen Hutu-politici zetten vrijwel onmiddellijk de aanval in op het Tutsi-establishment. De eerste Hutu-president, Melchior Ndadaye, werd al na drie maanden vermoord door soldaten van de door Tutsi's gedomineerde strijdkrachten. Aangespoord door enkele Hutu-leiders namen Hutu-burgers vervolgens wraak op Tutsi's. Daarop greep het leger in en vermoordde enkele tienduizenden Hutu's. Naar schatting honderdduizend Burundiërs verloren zo het leven na de invoering van het meer-partijenstelsel in 1993. De radicalisering aan beide zijden die zou uitmonden in de huidige burgeroorlog, nam toen haar aanvang.

“De werkelijke macht in Burundi ligt nu op straat”, zegt Buyoya. “De coalitieregering van Hutu-president Sylvestre Ntibantunganya en Tutsi-premier Antoine Nduwayo is machteloos. Hutu-ministers sympathiseren heimelijk met de Hutu-guerrillabeweging FDD (Forces pour la Défense de la Démocratie) en de Tutsi's in het kabinet willen niets doen aan de invloed van extremistische Tutsi-milities.” Buyoya schetst een somber beeld van de toekomst. “Als deze regering niet snel gaat regeren, dan zal ze ten val worden gebracht. Er zal een situatie ontstaan zoals in Somalië, zonder centraal gezag, met gewapende groepen en burgers die elkaar bestrijden.”

Zijn voorspelling over gewapende anarchie is volgens vele Burundiërs al werkelijkheid geworden. De Hutu-guerrillastrijders van het FDD breidden de laatste maanden op spectaculaire wijze hun acties uit. Ze maken grote delen van het land onveilig, maar hebben nog lang niet de kracht het regeringsleger te verslaan. Ze voeren voornamelijk bliksemacties uit. Ze zijn niet in staat gebieden onder hun controle te houden en trekken zich na hun aanvallen snel terug in hun schuilplaatsen, zoals in het Kibira-woud in het noordwesten. In een dichtbevolkt land als Burundi, zo blijkt, valt niet gemakkelijk een guerrilla te voeren. Bovendien zijn er ook concurrerende Hutu-verzetsbewegingen actief, zoals de Palipehutu en de Frolina.

Aan de Tutsi-kant is inmiddels een conflict ontstaan tussen enerzijds het Tutsi-establishment en het leger en anderzijds de Tutsi-extremisten. Regeringssoldaten traden afgelopen week voor het eerst in Bujumbura op tegen Tutsi-radicalen die door middel van een staking de Hutu-president, Ntibantunganya, tot aftreden willen dwingen. Deze Tutsi-radicalen willen een zuiver Tutsi-regime vestigen, terwijl pragmatische Tutsi-politici en de meerderheid van het leger bereid zijn deelname van Hutu's aan de regering te tolereren, al is het maar voor de vorm.

Sinds de onafhankelijkheid in 1962 hebben de Tutsi's bloedbaden aangericht onder de Hutu-meerderheid om zo hun dominerende positie te bestendigen. Hun meest gewelddadige actie was vermoedelijk die in 1972 toen naar schatting een kwart miljoen Hutu's werd afgeslacht. Daarna volgden in 1988 en 1993 nieuwe moordpartijen. “De strategie van de heersende Tutsi-elite heeft er altijd uit bestaan om de opkomst van een goed opgeleid Hutu-kader te voorkomen. Daarom hebben er periodiek grote en kleine slachtpartijen plaats waarbij alle intellectuelen worden geëlimineerd”, vertelt een in Burundi geboren en getogen buitenlandse missionaris. Maar het omslagpunt is volgens hem nu bereikt. “De Hutu's vechten voor het eerst terug. Hutu-burgers zeggen dat ze zich willen aansluiten bij de verzetsstrijders. Die ingrijpende verandering binnen de Hutu-gemeenschap betekent natuurlijk wel dat er tegenwoordig veel meer slachtoffers vallen onder de niet-opgeleide Hutu's, de kleine boeren.”

De onderdanigheid die de Tutsi's afdwongen van de Hutu's lijkt voorbij. Het heeft de meeste Tutsi's zeker niet tot inkeer gebracht. De genocide die de Hutu's in buurland Rwanda aanrichtten onder de Tutsi's vatten de Burundese Tutsi's op als een waarschuwing. Met al hun kracht gingen zij de Hutu-guerrillabewegingen bestrijden, gedreven door de gedachte 'als wij niet het initiatief nemen en hen doden dan zullen zij ons vermoorden'.

Mathieus Hitimana leidt de radicale Tutsi-partij PRP. Het leger plaatste hem vorige week onder huisarrest, omdat hij behoort tot de organisatoren van de stakingsacties (de zogeheten dode stad) in Bujumbura. In zijn door militairen omsingelde woning zegt hij: “President Ntibantunganya steunt de Hutu-guerrillabeweging FDD. Daarom moet hij aftreden. Hij helpt degenen die ons aanvallen. Daarom moet hij weg. Wij eisen dat iedere etnische groep zijn eigen vertegenwoordigers mag kiezen.” Hitimana werkte actief mee aan de inmiddels volbrachte etnische zuiveringen in Bujumbura (waar bijna geen Hutu's meer wonen) en wil nu door een geïnstutionaliseerde vorm van apartheid de Hutu's op afstand houden.

Tutsi-ministers in de regering prediken niet verzoening en onderhandelingen met de Hutu's, maar confrontatie. “We zeggen de Hutu-burgers de guerrillastrijders te bestrijden die zich bij hen in de bananenplantages ophouden”, vertelt de Tutsi-minister van binnenlandse zaken, Sylvestre Banzubaze. “Deze Hutu-bandieten vallen Burundi aan, ze willen ons land vernietigen. Ze werken aan een genocide, ze willen een zuivere Hutu-staat creëren.”

Voor Tutsi-burgers is het haast onmogelijk zich niet te laten meeslepen door de toenemende xenofobie onder hun stamgenoten. Ndangozi Nkunzimana is een Tutsi-journalist die poogt zijn hoofd koel te houden in de tribale waanzin. “We hebben geen nationale leiders meer in Burundi”, meent hij. “We worden helaas door extemisten geleid. President Ntibantunganya heeft het nooit over Burundiërs, nee, hij spreekt alleen over hoe de Hutu's worden vervolgd en hoe het leger daarvoor verantwoordelijk is.” Nkunzimana toont zich een voorstander van gelijke rechten voor Hutu's, maar staat erop dat de rechten van minderheden worden beschermd: “Ik ben voor democratie maar niet voor de democratie van een etnische meerderheid.”

Abdala Jesus is een uit zijn huis in Bujumbura verdreven Hutu die al maanden als ontheemde leeft in een autowrak aan de rand van de hoofdstad. “Het hele Hutu-kader werd sinds de onafhankelijkheid systematisch uitgeroeid”, klaagt hij als hij zich te ruste legt in de achterbak van de verfomfaaide Renault-4. “Eindelijk beloofden de Tutsi's ons in 1993 dat we vrij mochten stemmen. Toen we Melchior Ndadaye als onze president kozen, vermoordden ze hem. Blijft ons dan nog een andere mogelijkheid dan de gewapende strijd over?”

De standpunten tussen de verschillende groepen in Burundi liggen voorlopig onoverbrugbaar ver van elkaar. Een buitenlandse interventie kan daar verandering in brengen. De grondoorzaak van het conflict is de problematische positie van een etnische minderheid in een meer-partijendemocratie in een historisch sterk gepolariseerd land. Jaren oorlog liggen in het verschiet.

    • Koert Lindijer