Sport bijkomstigheid bij Real Club de Polo

BARCELONA, 24 JAN. Protserige bokalen en trofeeën vullen de ruimte. Aan de wanden prijken vergeelde afbeeldingen van mens en paard. In het clubhuis van de El Real Club de Polo de Barcelona (RCPB) strijden historie en traditie om voorrang. De Catalaanse club is dezer dagen gastheer van het olympisch kwalificatietoernooi hockey voor mannen.

De bezoekers van het lommerrijke complex hebben meer oog voor elkaar dan voor de prijzenkasten. Het geflaneer van de Barcelonese chic zou bijna doen vergeten dat de club met het koninklijke predikaat een sportief karakter draagt.

De vereniging ontleent haar bestaansrecht aan de hippische sport. Rond 1817 besloot een aantal polospelers zich in clubverband te organiseren. Na de eeuwwisseling breidde het ledenaantal van de RCPB zich in rap tempo uit en kregen ook tennis, hockey, bridge, racketball en squash een vaste plaats.

Van het oorspronkelijke karakter is anno 1996 weinig meer over. Sport is meer en meer bijzaak bij Real Club de Polo. Ondanks de 42 tennisbanen, drie hockeyvelden en twee squashbanen. De besloten vereniging is een ontmoetingsplaats voor de welgestelden van Barcelona. Onder het genot van een goed glas en een stevige sigaar worden aan de bar of in het restaurant zaken gedaan.

“Het merendeel van de 8.500 leden is alleen lid vanwege het lidmaatschap. Het is een eer om lid te zijn van de Real Club de Polo”, zegt Olegario Monegal (47). Het bestuurslid betreurt de ontwikkeling. “Het gevaar is dat de sociëteitsleden de sport verdringen.”

Om de toegankelijkheid te vergroten wil de vereniging het eenmalige entreegeld verlagen. In de nabije toekomst hoeft een nieuwkomer 'slechts' 48.000 gulden te betalen, naast de maandelijkse contributie van nog eens zo'n honderd gulden. De beoogde verlaging is ook bedoeld om de financiële nood van de vereniging te lenigen. De spilzucht van de vorige voorzitter heeft de RCPB aan de rand van de afgrond gebracht. “We zijn nu overgeleverd aan de grillen van de bank”, zegt Monegal.

Aan weldoeners lijkt evenwel geen gebrek. Tot de leden behoort bijvoorbeeld ook Juan Antonio Samaranch, de voorzitter van het Internationaal Olympisch Comité die de club voor de Spelen van 1992 aanwees als het domein van de olympische springruiters. Monegal: “Nee, Johan Cruijff is niet lid. Hoewel hij hier zo nu en dan zijn gezicht laat zien.”

Monegal beschouwt het als een hele eer dat hij gastheer is voor het pre-olympische toernooi. “In Barcelona zijn we de laatste jaren niet verwend met grote internationale hockeytoernooien.” De publieke belangstelling voor het tiendaagse evenement valt tegen. De tribunes rondom de kunstgrasvelden worden hoofdzakelijk bevolkt door genodigden, spelers en officials. De standhouders in het aangrenzende promodorp staan er wat verloren bij. Monegal: “Spanjaarden zijn helaas niet bereid te betalen voor hockey.”

Zelfs voor de verrichtingen van het nationale team loopt het Catalaanse publiek niet warm. Hockey is in Spanje een elitaire sport. Tot ongenoegen van oud-hockeyer Monegal. “Bij u is het anders, maar in Barcelona is het nog steeds zo dat de sport van vader op zoon gaat. Daarom zal het een relatief kleine sport blijven.”

Spaanse hockeyliefhebbers verkiezen het veertig kilometer verderop gelegen terrein van Atlethic Terrassa, de landskampioen die oppermachtig is in de Spaanse hockeycompetitie. Real Club de Polo is niet meer dan de derde club van het land. Voetbal domineert in Barcelona. Het complex van de RCPB ligt op een steenworp afstand van Nou Camp, het stadion van Futbol Club Barcelona. Concurrentie? Monegal glimlacht. “Wij waren op deze plek eerder dan Barcelona. Concurrentie ondervinden wij meer van de tennis- en golfclub. Ook dat zijn statussymbolen.”