'Keltische tijger' Ierland wil niet achterblijven bij Europese integratie

Na Griekenland en Portugal is Ierland het armste land van de Europese Unie. Maar door sterke economische groei, en lage inflatie, heeft het land zich ook de reputatie van 'Keltische tijger' verworven. Hoewel de werkloosheid hoog blijft, wil Ierland deelnemen aan de verdere Europese monetaire integratie. Minister van financien Ruari Quinn: “Wij zien de Europese munt als logisch sluitstuk van de interne markt.”

Vakbondsvertegenwoordigers en werkgevers omschrijven hem als een 'doener', als een 'hervormer die hoogst pragmatisch en planmatig te werk gaat'. Ruari Quinn is de eerste sociaal-democratische minister van financiën van Ierland.

De economische vooruitzichten voor de centrum-linkse coalitieregering van Fine Gael, Labour en Democratic Left zijn ook in het komende begrotingsjaar onverminderd rooskleurig. Na een ingrijpende modernisering van de economie is Ierland sinds de jaren tachtig met een indrukwekkende inhaalrace bezig. Sinds 1987 is het bruto binnenlands produkt jaarlijks met meer dan vijf procent gestegen. Afgelopen jaar bedroeg de economische groei zelfs 6,5 procent, meer dan twee keer het Europees gemiddelde, meldt de Amerikaanse zakenbank Morgan Stanley in een rapport waarin Ierland als 'Keltische tijger' wordt betiteld. Voor dit jaar wordt een groei van 5,7 procent voorzien.

Tegelijkertijd kan Ierland bogen op een lage inflatie - 2,5 procent in 1995 - en een bescheiden begrotingstekort - 2,4 procent van het bruto binnenlands produkt (BBP). De staatsschuld is sinds 1989 met eenderde teruggebracht tot 84,4 procent van het BBP. De enige dissonant blijft het werkeloosheidspercentage dat met 13,5 procent het op één na hoogste is van de Europese Unie. Deze 'paradox van de Ierse economie'' wordt in de eerste plaats veroorzaakt door de bevolkingsexplosie in de jaren zeventig en tachtig, waardoor het aantal inwoners met meer dan eenvijfde, twee keer het Europse gemiddelde, is gestegen. Bijna de helft van de Ierse bevolking is jonger dan 25 jaar.

Ondanks de sterke economische groei van de laatste vijftien jaar is Ierland na Griekenland en Portugal nog altijd het armste land van Europa. De levensstandaard ligt bijna een kwart onder het Europese gemiddelde.

Het gesprek met Quinn vindt plaats in het witte regeringsgebouw aan de statige Merrion Street in Dublin. Vroeg in de morgen arriveren de ambtenaren hier nog met een pakje brood in de handen. Bouwvakkers krijgen hier eenzelfde hartelijke ontvangst als de diplomaten in hun streepjespakken. Zelf onderscheidt de minister zich alleen van de andere werkers door zijn felgekleurde stropdas, de sigaar in zijn mond en de snelheid waarmee hij cijfers spuit.

Als de regering niet voortijdig valt, presenteert u nog twee begrotingen voor de verkiezingen in 1997. Wat is uw belangrijkste oogmerk in deze periode?

“Het belangrijkste is dat Ierland voldoet aan de criteria voor deelneming aan de Europese Monetaire Unie. In feite beantwoorden wij daar nu al aan. Maar er bestaat de normale druk in de aanloop naar de verkiezingen om de overheidsuitgaven op bepaalde terreinen te verhogen. Wij mogen onze Europese positie niet in gevaar brengen.

“Mijn partij, de Labourpartij, heeft zich nadrukkelijk uitgesproken voor verdere integratie van de Europese Unie. Wij zien de Europese munt als een logisch en noodzakelijk sluitstuk van de interne markt. Ook op zich beschouwen we de criteria voor deelneming aan de Europese Monetaire unie als verstandig en positief. Onze ervaring leert dat lage inflatie en lage rentetarieven leiden tot een aanzienlijke schepping van banen. De werkgelegenheid in Ierland is in de periode van april 1994 tot april 1995 met vier procent gegroeid, een van de sterkste stijgingen in de Oeso-landen.”

Is deelneming aan de Europese Monetaire Unie voor Ierland wel zo voordelig als Groot-Brittannië niet meedoet? Bijna 29 procent van de Ierse export gaat naar het Verenigd Koninkrijk.

“Het is nog helemaal niet zeker dat Groot-Brittannië buiten een Europese munt blijft. Je kunt je afvragen waarmee de Britse belangen het best zijn gediend. Alle economische analyses suggereren dat een nationale munt die zich distancieert van de Europese Monetaire Unie terwijl ze wel het recht en de kracht heeft om deel te nemen, onvermijdelijk een signaal zendt naar de rest van de wereld en zeker naar de financiële markten. Een signaal dat ze zich het recht voorbehoudt om te devalueren. Dat zal leiden tot hogere rentetarieven in Groot-Brittannië.

“Willen de Britten zo'n rentestijging voorkomen, dan zijn ze gedwongen een stringenter financieel beleid te voeren dan wanneer ze wel waren toegetreden. Als ze daarvoor kiezen is dat voor Ierland geen enkel probleem, want dan hebben we een buur met een stabiele munt die niet fluctueert, en in feite op enige afstand het Europese financieel beleid volgt. Het alternatief zou voor Ierland wel tot problemen leiden, maar tot nog veel grotere problemen in Groot-Brittannië zelf. Ik denk niet dat de Britten die heilloze weg zullen gaan, niet de huidige Conservatieve regering en ook niet een eventuele toekomstige Labour-regering.”

Per hoofd van de bevolking - ruim 3,5 miljoen mensen - is er geen land dat zoveel Europese steun krijgt als Ierland. In de periode 1994-1999 ontvangt Ierland in totaal ruim 7,2 miljard pond van Brussel, circa vier procent van het bruto binnenlands produkt. Hoe bereidt Dublin zich voor op de aangekondigde vermindering van Europese bijdragen?

“De bijdragen die we op het moment ontvangen lopen door tot 1999 en verreweg het grootste deel van dat geld gebruiken we voor projecten die in 1999 voltooid zullen zijn. We moeten afwachten wat er daarna gaat gebeuren. Dat is nog volstrekt onduidelijk. Maar net zoals andere landen zullen we in elk geval in welke vorm dan ook en in welke mate dan ook steun blijven ontvangen. We hebben in het verleden bewezen dat we die fondsen op een produktieve en constructieve manier benutten. De kloof in gemiddeld inkomen tussen Ierland en de Europese Unie hebben we gestadig verkleind.”

De Ierse economie is de laatste tien jaar bijzonder succesvol geweest. Met vrijwel alle economische indicatoren steekt Ierland gunstig af bij andere Europese landen. Wat is de belangrijkste verklaring voor dit succes?

“De belangrijkste factor is de sociale consensus die in Ierland bestaat sinds regering, werkgevers, vakorganisaties en boeren in 1987 een sociaal akkoord hebben gesloten. Dit akkoord stelt ons in staat de economische ontwikkeling planmatig aan te pakken wat geresulteerd heeft in lage inflatie en lage rentetarieven.

“Verder heeft het akkoord geleid tot een dramatische verbetering in de betrekkingen tussen de sociale partners. Daardoor is het aantal dagen dat door stakingen verloren gaat rigoureus gedaald tot het laagste niveau in de geschiedenis. Ik weet wel dat arbeidsconflicten in andere landen ook zijn teruggelopen, zelfs in landen zonder sociale consensus. Maar wij geloven dat er in Ierland een direct verband bestaat tussen het sociaal akkoord en de arbeidsvrede. Die situatie heeft bedrijven in staat gesteld om efficiëntiemaatregelen te treffen en te herstructureren, wat in de particuliere sector tot een aazienlijk verbetering van kwaliteit heeft geleid. Daarbij hebben we als een minder ontwikkeld land natuurlijk ook meer ruimte voor groei. Maar een vergelijking met de andere minder ontwikkelde Europese landen maakt duidelijk dat we die positie beter dan wie ook hebben gebruikt.”

Een aantal economen heeft gewaarschuwd dat de regering minder aandacht aan multinationals en meer aandacht aan binnenlandse bedrijven moet besteden als Ierland het huidige groeiniveau wil vasthouden. Nog geen 150 bedrijven hebben een omzet van meer dan vijf miljoen pond. Sluit dat aan met de opvattingen van uw regering?

“Absoluut. We hadden het fenomeen, tot drie, vier jaar geleden, dat economische groei erg positief was maar zich vooral beperkte tot de grote multinationale firma's. Die trend is omgebogen sinds we vier jaar geleden een nieuw ministerie voor onderneming en werkgelegenheid in het leven hebben geroepen waarvan ik de minister was. Sindsdien hebben we het staatsapparaat voor steun aan de industrie ingrijpend gewijzigd. De Industrial Development Agency (IDA) die zich in het verleden vooral richtte op het aantrekken van buitenlandse bedrijven, hebben we in tweeën gespleten. Er is nu een maatschappij die zich concentreert op buitenlandse investeerders en een maatschappij die de lokale Ierse bedrijven moet steunen, op de terreinen van financiën, marketing en technologie. Ook hebben we een aantal financiële maatregelen geïntroduceerd om de oprichting van nieuwe bedrijven te stimuleren. Inmiddels zien we dat de economische groei veel gelijkmatiger is verdeeld over het hele spectrum van bedrijvigheid.”

Wat doet de Ierse regering om het grootste nationale probleem, de werkloosheid, te beteugelen?

“We zitten met het gegeven dat ons arbeidsleger vanwege demografische redenen in reële termen netto nog altijd flink groeit: met 26.000 mensen per jaar. Daar valt met het scheppen van banen nauwelijks tegenop te boksen. We hopen dat het probleem zich de komende tien, vijftien jaar zelf zal oplossen omdat het geboorteoverschot sinds het midden van de jaren tachtig sterk is gedaald. Intussen zitten we net als andere Europese landen met het probleem van de langdurig werklozen: 48 procent zit meer dan een jaar zonder werk, 25 procent al meer dan drie jaar. Geografisch concentreert zich die langdurige werkloosheid in bepaalde getto's waar het werkloosheidspercentage tot boven de zestig procent kan stijgen. Sterke economische groei is niet voldoende om deze gemeenschappen aan banen te helpen, ook al zou het bruto binnenlands produkt met jaarlijks 8 of 9 procent stijgen. Met gecoördineerde, lokale arbeids- en scholingsprogramma's proberen we de cirkel van lage opleidingen en armoe te doorbreken.”

De economische groei werd vorig jaar nog overtroffen door een stijging van de overheidsuitgaven. Hoe rechtvaardigt u dat?

“Een groot deel van de gestegen overheidsbestedingen wordt gevormd door kapitaalsuitgaven. Voor verbetering van onze onderontwikkelde infrastructuur krijgen we wel steun uit het Europese fonds, maar een kwart van de kosten moeten we zelf bijdragen. Intussen valt het niveau van onze staatsschuld moeilijk te rechtvaardigen. Het is een erfenis van vorige regeringen, inclusief van regeringen waarvan ik deel heb uitgemaakt. We zijn bezig om de staatsschuld te verminderen en de groei van de overheidsbestedingen te vertragen. Deze regering heeft zich verplicht om de toename van de staatsuitgaven in 1996 in reële termen te beperken tot twee procent. Dat komt neer op 4,25 procent bij een voorspelde inflatie van 2 tot 2,25 procent. In tegenstelling tot een stijging van 7 procent in 1995 en 9 procent in 1994. Het kost nu eenmaal tijd om staatsbestedingen af te remmen vanwege het grote aantal banen in de publieke sector. Dat kan onmogelijk in twaalf maanden. Maar het ontbreekt niet aan de politieke overtuiging en wil.”