Euro wordt speelbal van emoties

De Economische en Monetaire Unie komt voort uit het tijdperk van het gedeelde Duitsland. De introductie van de euro komt terecht in het tijdperk van het nieuwe, grotere Duitsland. Het euro-project doet denken aan een marathonloper die op weg is naar de finish in een groot stadion. Daar aangekomen merkt hij dat het publiek naar een voetbalwedstrijd zit te kijken. Wat doet hij, draait hij om of steelt hij alsnog de show?

Op diverse niveaus wordt de introductie van de Europese munt voorbereid. De Commissie heeft een draaiboek geschreven, de leiders hebben op hun laatste top in Madrid het licht op groen gezet en de bankwereld bereidt zich voor. De Europese Commissie in Brussel heeft dezer dagen een grootscheeps spektakel op touw gezet om het project aan het publiek te verkopen.

Maar tegelijkertijd groeien twijfels over de politieke haalbaarheid. In het belangrijkste land, Duitsland, is een meerderheid van de publieke opinie tegen invoering. Meer dan de helft van alle bedrijven (57 procent) rekent in elk geval met uitstel.

De particuliere banken steunen het project, drukken brochures en voelen zich tegelijkertijd kwetsbaar in de frontlijn. Praktisch elke burger spreekt voor zijn gevoel van financiële zekerheid in eerste instantie zijn bank aan, pas daarna de overheid.

Aan de argumenten ten gunste van de EMU is in wezen in het laatste decennium weinig veranderd: wisselkoersrisico's zullen verminderen, transactiekosten zullen verdwijnen. Een gezamenlijke munt is een logische voortzetting van een gezamenlijke markt zonder binnengrenzen. Zo'n gezamenlijke markt vergemakkelijkt het bereiken van schaalgrootte voor bedrijven in Europa en die schaalgrootte is weer dringend nodig om te blijven wedijveren met concurrenten in Amerika en Azië. Een Europese munt op Europese schaal kan gemakkelijker dienen als reservemunt tegenover de dollar en kan daarmee een nieuw anker van stabiliteit worden.

Bovenal is de euro ook een politiek project om de groeiende economische en politieke betekenis van Duitsland in een Europese bedding te integreren. Dit argument gold in de jaren tachtig en geldt nu nog.

Intussen is er een nieuw argument bij gekomen: een economische en monetaire unie van Europese kernlanden zorgt voor een geïntegreerd bastion op een moment dat de Europese Unie met zó veel nieuwe landen wordt uitgebreid, dat de Unie er over enkele jaren gemakkelijk onder kan bezwijken. Want hoeveel bindende reflexen vertoont een Unie die van Cyprus tot Zweden en van Portugal tot Polen praktisch alle landen verenigt? Een Westeuropese haven van stabiliteit kan in zo'n situatie nog dringend van pas komen.

Tot zover gaat het om een politieke en - eventueel - economische rechtvaardiging van het euro-project. Maar het publiek in het belangrijkste land, Duitsland, vertrouwt het geleidelijk aan niet meer. De D-mark voldoet goed, functioneert zelfs als reservemunt heel behoorlijk. Waarom rommelen met zo'n kostbaar goed als een nationale munt?

Het is een logische vraag in een land dat sinds 1989 op eigen benen staat. De behoefte aan een Europese pseudo-identiteit is in Duitsland de laatste jaren geringer geworden en daarmee ook de bereidheid om er offers voor te brengen. De politieke elite in Duitsland bevindt zich met het euro-project in het defensief en politici op zoek naar een pakkend verkiezingsthema ruiken hun kans.

In sociaal-democratische kring wordt sceptisch gereageerd op de euro en de Beierse premier Edmund Stoiber (CSU) kritiseert als een goed leerling van zijn vroegere leermeester Franz-Jozef Strauss de eigen regering in Bonn over de EMU. Men kan zulke geluiden terzijde schuiven als goedkoop populisme, maar zo is het niet, althans niet alleen. Wantrouwen en een gevoel van overbodigheid zijn oprecht en volgens een uitspraak van het Hof van Karlsruhe krijgt de Bondsdag nog één keer het laatste woord. Zonder publiek vertrouwen is niet te verwachten dat de Bondsdag in meerderheid zo'n avontuur zal riskeren.

Het Duitse kabinet maakt zich over de tegenwind geleidelijk aan zo veel zorgen, dat het steeds meer garanties verlangt voor een stabiele munt. “We kunnen immers de euro-munt niet op proef nemen, dus we moeten wel”, aldus de Duitse staatssecretaris van financiën Jürgen Stark. “De euro-munt moet zo stabiel zijn als de stabielste munt.” Met andere woorden, het Duitse publiek moet ervan overtuigd worden dat de euro gewoon een D-mark is met een wat ander opschrift.

Zelfs uit het Franse establishment klinken recentelijk bedenkingen. De oud-voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors neemt het woord 'uitstel' in de mond en de belangrijkste bankier van het land, Marc Viénot van de Société Générale, noemde de kans dat de euro-munt op tijd op de markt komt gisteren “verwaarloosbaar”. Dat is des te verbluffender omdat de EMU een Franse nationale prioriteit van de eerste orde is. Alleen via de EMU immers lukt het Frankrijk nog om een zichtbare dominantie van de D-mark in Europa te verhinderen.

Hierbij komt, ten slotte, nog scepsis uit de hoek van de vakbeweging. De euro-munt gaat gepaard met de noodzaak tot budgettaire sanering, tot sanering van sociale uitgaven. Hoewel die saneringen ook zonder EMU geboden zijn om voor een vergrijzend Europa straks nog verzorgingsarrangementen te kunnen financieren, ondermijnt de voortdurende verwijzing naar de zogenaamde EMU-criteria ook het plezier in de euro zelf. De euro wordt dan geassocieerd met bezuinigen, met de kilheid van de internationale markt, met technocratie, met globalisering, met kaalslag. Dat is weliswaar onzin, maar het brengt de euro in emotionele zin in elk geval in de verdomhoek.

Zulke emoties tellen, en waarom ook niet wanneer het om zo'n gevoelig nationaal symbool gaat als de eigen munt. Daar komt ook de huidige vertraging van de economische groei nog bij. Deze conjuncturele dip - of wordt het een recessie? - leidt tot minder belasting- inkomsten en maakt bezuinigen voor bewindslieden en regeringspartijen lastiger. De werkloosheid neemt toe, de druk tot extra overheidsuitgaven neemt toe en vervolgens neemt ook de psychologische malaise over die euro-munt verder toe. De criteria van Maastricht worden in een land als Frankrijk nu al als molensteen om de nek van bestuurders gepresenteerd.

Het euro-project bevindt zich in een bizarre fase. Het officiële programma loopt, de coaches aan de zijlijn gaan schijnbaar onverstoorbaar verder, maar het ongemak groeit. Nóg wegen de voordelen zwaarder dan de nadelen. Nóg lijkt het erop dat de infanterie van de euro-munt, de banken in de belangrijkste kandidaatlanden, marcheert. Maar tegelijkertijd vraagt de bankwereld bezorgd om meer politieke dekking, kijkt de politiek bezorgd naar de kiezer en kijkt de kiezer bezorgd naar zijn bankbiljet. Een uitstel van de euro-munt is in het script van Maastricht niet voorzien, maar een gevoel van vastberadenheid met name in Duitsland ontbreekt, hetgeen per saldo tot een groter fiasco kan leiden.

    • Ben Knapen