Aangrijpende serie over 'Vogelenzang'

Er is een tijd geweest dat de VPRO het monopolie had op de betere tv-documentaire, maar dat is al een poosje niet meer het geval. Integendeel, vooral het genre van de binnenlandse, sociale documentaire zie je de laatste tijd eerder bij andere omroepen dan bij de VPRO. Ik denk nu even aan het werk van documentaristen als Ireen van Ditshuyzen, Roel van Dalen en Ger Poppelaars.

Wie had ooit verwacht dat uitgerekend die brave, blije AVRO met een hartverscheurende documentaire-serie over een psychiatrische inrichting zou komen? Toch is dat momenteel het geval: regisseur Ger Poppelaars maakte voor de AVRO de 5-delige serie Verhalen van Vogelenzang waarvan volgende week dinsdag de laatste aflevering wordt uitgezonden. Vogelenzang is een groot psychiatrisch centrum in Bennebroek waar 750 personeelsleden voor 1.200 patiënten zorgen.

Van de massaliteit van zo'n centrum merk je weinig in Poppelaars documentaire. Dat is vermoedelijk ook niet zijn bedoeling geweest. Hij heeft zich vooral beperkt tot de individuele lotgevallen van een handvol patiënten wier ziektegeschiedenis geduldig wordt ontrafeld. Soms zie je wel enige interactie tussen de patiënten, maar de camera is vaker gericht op die ene patiënt, worstelend met zichzelf en met de vertwijfelde afgezanten van de buitenwereld: familieleden en hulpverleners.

Het resultaat is aangrijpend. Poppelaars laat goed zien wat het voor iemand betekent om niet langer bestand te zijn tegen de werkelijkheid van alledag. We zagen ondermeer een vrouw die de druk van haar gezin niet langer aankon, een filmmonteur die zijn carrière opgaf, een jonge vrouw die kapotging aan de huwelijksproblemen van haar ouders.

Vrolijk word je er bepaald niet van, maar er is op dinsdagavond laat gelukkig een krachtig medicijn om al deze ellende weg te slikken: Borreltijd, de onnavolgbare pastiche van Tosca Niterink en Arjan Ederveen op het RTL-dieptepunt Koffietijd.

Jan Willem, de filmmonteur, is een van de meest inleefbare 'gevallen' uit Verhalen van Vogelenzang. Een ogenschijnlijk normale man, beheerst en verstandig keuvelend, maar toch wel zó ziek dat ze hem 'het mooiste kamertje van het gebouw' hebben gegeven. Hij heeft een gezin en werk gehad, maar de psychosen maakten het hem onmogelijk nog langer normaal te functioneren. Nu leidt hij 'een bejaardenleventje', zoals hij het zelf noemt.

Jan Willem wilde geen medicijnen, maar zijn wanen werden te bedreigend en hij moest ten slotte gedwongen injecties ondergaan. Zijn leven is er vlak en eentonig van geworden. “Die psychosen zijn voor mij onmisbaar”, vertelde hij, “het zijn op een bepaalde manier hoogtepunten in mijn leven. Soms denk ik wel eens: ik wou dat ik er weer een had. Veel van mijn dagen zijn nu grijs.”

In de vierde aflevering verdiepte Poppelaars zich in het lot van Olga, een zwaar suïcidale jonge vrouw. Dramatischer beelden heb ik zelden op de Nederlandse tv gezien. Hoe ver kun je als filmer gaan bij het publiekelijk belichten van andermans misère? Poppelaars ging ver, maar ik had geen moment het gevoel dat hij de kijkers uit sensatiezucht met zoveel particuliere intimiteit confronteerde.

Olga was doodziek, en als je haar problemen wilde begrijpen, moest je haar achtergrond kennen. Dat zal Poppelaars terechte redenering zijn geweest. Daarom liet hij ons ten slotte getuige zijn van die uiterst droevige confrontatie met Olga's ouders in hun rol van falende opvoeders. De camera draaide, twee hulpverleners leidden het gesprek met Olga en nòg wisten de ouders niets beters te doen dan een potje te bakkeleien over hun huwelijksproblemen.

“Het is onze schuld dat ze zo is”, kijfde de moeder tegen haar ex-man, maar ze bedoelde vooral: het is jouw schuld.

De psychiaters wilden Olga een poosje uit Vogelenzang hebben, want de kans op suïcide was binnen de inrichting nog groter dan er buiten. Maar waar moest Olga in vredesnaam naartoe?

“Alleen op haar flat zie ik niet zitten”, zei de vader.

“U bent bang dat ze zelfmoord pleegt”, zei de psychiater.

“De muren komen daar op me af”, zei Olga, “ik ben er een keer bijna gek geworden. Ik ga nooit meer terug naar die flat.”

“We hebben vader en moeder nog om naartoe te gaan”, zei de psychiater. “Of een vriendin?”

“Heb ik niet”, snikte Olga.

“Of een vriend?” vroeg de psychiater.

“Heb ik ook niet.”

“Dan heeft u een probleem”, zei de psychiater.

De therapeuten lieten de familieleden ten slotte wijselijk alleen achter: ze moesten er maar zelf uit zien te komen. (De keus viel voor het eerste weekend op de moeder, en uit de aftiteling konden we opmaken dat Olga later weer voor een vervolgbehandeling in Vogelenzang is opgenomen.)

Het siert de therapeuten dat zij toestemming hebben gegeven voor deze opnamen. Zij maken zich daarmee even kwetsbaar als de patiënten. De behandelsituaties zijn onvoorspelbaar en er zijn momenten waarop je als toeschouwer vanuit je leunstoel denkt: had je dat niet wat handiger en vooral minder wollig kunnen zeggen?

Maar ik geef het u en mezelf te doen. Hoe benader je iemand die, zoals Olga, zichzelf kort tevoren heeft beschadigd? Wat zeg je tegen een vrouw die 's morgens in haar isoleercel grimmig wakker wordt? Hoe overtuig je een verwarde Aziaat dat hij vóór de opsluiting zijn schoenen moet uitdoen? Daar voorziet geen opleiding in, dat is een kwestie van talent en intuïtie. Ik zag hulpverleners die deze eigenschappen in ruime mate bleken te bezitten.

    • Frits Abrahams