Veel spelers op markt regionale vliegtuigen

De markt voor regionale verkeersvliegtuigen van 19 tot 100 stoelen groeit drie keer zo snel als de totale markt voor vliegtuigen. In 1994 expandeerde deze markt met 14 procent in tegenstelling tot de markt voor grotere vliegtuigen, die in dezelfde periode met slechts 3 procent groeide. Tot het jaar 2000 wordt de afzet van vliegtuigen met 19 tot 100 plaatsen geschat op 1310 toestellen.

Niettemin zijn de risico's voor de fabrikanten groot, aangezien er te veel spelers op een te kleine markt opereren. Alleen met overheidssteun kan een aantal fabrikanten het hoofd boven water houden. Vooral het Franse Aérospatiale heeft daardoor in de concurrentiestrijd met Fokker een groot marktaandeel kunnen veroveren.

De belangrijkste aanbieders van regionale toestellen zijn: Deutsche Aerospace (DASA), dat na het wegvallen van Fokker (F50, -70 en -100) nu alleen nog de turboprops van Dornier (30 zitters) in de aanbieding heeft. AIR, Aero International Regional, waarin Fransen, Italianen en Engelsen samenwerken. ATR (de Franse en Italiaanse tak van het bedrijf) maakt een klein transporttoestel en een turboprop met 41 tot 70 zitplaatsen. Een segment waarin de fabrikant 55 procent van de markt heeft. De Engelsen brengen in deze combinatie Avrop International Aerospace in, een dochter van British Aerospace. Dit bedrijf maakt een straalvliegtuig met 70 tot 120 zitplaatsen. Dochterfirma Jetstream Aircraft maakt turboprops (19-29 plaatsen). Saab (Zweden) produceert een snelle turboprop voor 50 tot 58 passagiers. Bombardier (Canada): Met de merken De Havilland en Canadair behoort deze fabriek tot een van de grotere spelers op de markt voor regionale vliegtuigen. Embraer (Brazilië): Embraer is met de types Brasilia en Bandeirantes vooral sterk in Noord- en Zuid-Amerika. CASA (Spanje): De kleinste aanbieder op deze markt verkoopt turboprops en werkt nauw samen met het Indonesische IPTN.

De laatste jaren hebben echter ook grote fabrikanten als Boeing met zijn B-727-500, Airbus met de A319 en McDonnell Douglas (MD95) zich op de overvolle markt van aanbieders voor regionale vliegtuigen gemeld.

Op Van Duinens schouders rustte nu de zware taak om snel met een nieuw saneringsplan te komen. Dat plan kwam na een paar maanden en hield naast het vertrek van nog eens ruim 2100 mensen, vooral een drastische beperking van de produktie in: Fokker zou niet langer 90 tot 100 vliegtuigen per jaar bouwen maar teruggaan naar 50 toestellen. Nederkoorn had 60 vliegtuigen als absoluut minimum beschouwd. Een verdere inkrimping had volgens hem slechts tot gevolg dat in een tijd waarin de vliegtuigprijzen zwaar onder druk stonden Fokkers kostprijs juist omhoog zou gaan. Door de kleinere schaal moesten de hoge vaste kosten immers over een geringer aantal uren en toestellen worden uitgesmeerd.