Trouw

Behalve voor mijn vader, Anna Pavlova en Greta Garbo koesterde ik diepe bewondering voor Marja, de dochter van een van mijn moeders vriendinnen; niet omdat zij ook iets op kunstgebied presteerde - zij werkte gewoon als telefoniste op het telegraafkantoor aan de Coolsingel - maar omdat zij ruim tweemaal zo oud was als ik (al twintig jaar), jurken naar de laatste mode droeg, tot net boven de knie, razendsnel de charleston kon dansen en als eerste in de kennissenkring van mijn ouders haar haar had laten afknippen. Voorts beschikte zij niet alleen over een bijzonder aantrekkelijk uiterlijk, een diploma vijfjarige HBS en een fototoestel, waarvan zij de foto's zelf in een grote donkere kast kon ontwikkelen, maar tevens over een verloofde, Adriaan, wiens beeltenis in wit officiersuniform met strepen en witte pet boven de theetafel in haar moeders salon hing. Ofschoon hij er heel knap in uitzag, bleek Marja in de nabije toekomst niet de rol van zeemansvrouw te ambiëren, zodat Adriaan zee en uniform had verwisseld voor een baan in burger aan de wal, waar hij, voorzien van mouwbeschermers, achter een loket van De Nederlandsche Bank had plaatsgenomen, met als enige compensatie de aanschaf van een zeilboot, waarmee hij op zon- en feestdagen in gezelschap van zijn aanstaande de Bergse plassen bevoer.

Dit laatste gebeurde echter niet bij slecht weer en vanzelfsprekend nooit 's winters, wat betekende dat ik wegens mijn moeders gewoonte om zondagsmiddags haar vriendin te bezoeken menigmaal getuige werd van de wijze waarop het verloofde paar, in weerwil van onze aanwezigheid, onverholen uiting gaf aan zijn gevoelens door elkaar, half liggend op de divan, raadselachtige taal in het oor te fluisteren en elkaar plagend te kussen of te omhelzen. In tegenstelling tot de beide vrouwen, die het overigens boeiende tafereel ostentatief negeerden door met hun rug ernaar toe aan de huiskamertafel thee te drinken (mijn moeder beweerde dat haar vriendin er niets van durfde te zeggen, daar Marja na de vroege dood van haar vader gruwelijk verwend was), prikkelde het gevrij mijn nieuwsgierigheid uitermate. Ik had nog nooit verliefde mensen van nabij gadegeslagen en zorgde ervoor me zo onopvallend mogelijk ter zijde van de tafel op te stellen, vanwaar ik, quasi verdiept in Blind zuske of Stijfkopje of een van de andere boeken die vroeger van Marja waren geweest, heimelijke blikken in de richting van de divan wierp.

Toen Marja en haar verloofde gingen trouwen, was ik ongeveer elf jaar en zou er 's avonds ten huize van de bruid een feest worden gegeven, dat onder andere zou worden opgeluisterd door mijn optreden tussen de schuifdeuren, in de vorm van een toepasselijk lied op de jonggehuwden. Het idee was van mijn moeder, die de muzikale voordracht met mijn vader op bruiloften had gezongen, en ik herinner mij alleen dat het 'Blauw' heette, aangezien dit de symbolische kleur van trouw zou zijn (de bruid droeg bovendien een blauwe japon), en dat elk van de drie coupletten eindigde met de woorden: 'Wie het aanschouwt weet toch dat blauw/ immer de kleur is van oprechtheid en trouw', welke laatste regel zowel met stemverheffing als met de nadruk op 'blauw' gebisseerd diende te worden.

Hoewel ik niet kon zingen en al doodverlegen werd bij de gedachte oog in oog met het bruidspaar in een kamer vol mensen te staan, en ofschoon Marja nooit notitie van me had genomen of me enige genegenheid had betoond (dat had ik trouwens niet van zo'n bijzonder wezen verwacht), beschouwde ik het als een eervolle opgave het voorwerp van mijn verering te mogen toezingen en begaf ik me met het vergeelde muziekpapier in mijn schooltas een paar keer naar Adriaans moeder, die me op de piano zou begeleiden en me het lied zou helpen instuderen.

Nadat mijn moeder bij Van Loon Dam in de Noordmolenstraat een corsage van blauwfluwelen viooltjes had gekocht, die ik op haar advies gedurende de voordracht tussen duim en wijsvinger een weinig omhoog moest houden en tot slot bij wijze van kleine attentie en herinnering aan haar trouwdag aan de bruid moest overhandigen, was het eindelijk zover en hoorde ik in een soort trance de piano en mijn eigen onvaste stem vanuit de verte opklinken, terwijl ik door een nevel van rook en gezichten naar de blauwe vlek van Marja's japon staarde en vergat het tuiltje bloemen met het afgesproken armgebaar omhoog te houden.

Toen er welwillend was geapplaudisseerd, schuifelde ik tussen de bruiloftsgasten naar de versierde stoelen aan het hoofd van de tafel, waar de bruidegom mij spontaan op beide wangen kuste en ik schutterig het schouderklopje van Marja in ontvangst nam, die de door mij aangeboden corsage tot mijn verbazing niet op haar jurk speldde, maar zonder ernaar te kijken naast haar glas legde.

Nog voor het feest was afgelopen, vertrok het bruidspaar met onbekende bestemming, het achterblijvende gezelschap zichtbaar opgelucht toewuivend. Het gebeurde zo overhaast dat ik toen ze weg waren pas merkte dat ze het aandenken aan mijn voordracht niet hadden meegenomen, en met een schok van teleurstelling de viooltjes zag, die op de morsige tafel naast het glas van de bruid waren blijven liggen.

Bijna vijfenveertig jaar later zag ik Marja terug. Plotseling verscheen zij op een verjaardag van mijn moeder, die na de dood van haar vriendin nog enig contact met de dochter was blijven onderhouden. Het bleek dat Marja al lang kleinkinderen had en gescheiden was, en dat haar gezondheid - ze liep moeilijk en was onherkenbaar dik geworden - veel te wensen overliet. Ofschoon ze opgetogen scheen mij te zien, wat mij nogal bevreemdde, maakte ze geen gelukkige indruk, en op haar aandringen beloofde ik bij haar langs te komen als ik weer eens in Rotterdam zou zijn.

Dat het niet bij die ene keer is gebleven, kwam waarschijnlijk door mijn trouw aan een jeugdsentiment, en misschien ook door mijn medelijden met een eenzame oude vrouw die mij op zo'n onverhulde manier haar dankbaarheid toonde wanneer ik haar een paar uur gezelschap hield om haar verhalen over vroeger aan te horen, hoewel Adriaans naam niet werd genoemd en ik haar nooit naar de blauwe viooltjes heb durven vragen.

Het werd dan ook een stilzwijgende afspraak dat ik eens in de twee weken, nadat ik een dag bij mijn moeder had doorgebracht, die weduwe was geworden, 's avonds via een bezoek aan Marja's huis in de Schiebroekselaan naar Station Noord liep, waar ik meestal een veel latere trein moest nemen (voor mijn komst placht zij de pendule in haar kamer ten minste een half uur terug te zetten) dan ik aanvankelijk van plan was geweest.

Ik heb dit enige jaren volgehouden, tot Marja niet meer kon lopen en geestelijk zo achteruitging dat ze in een verpleeghuis buiten Rotterdam moest worden opgenomen. Eén keer heb ik haar daar opgezocht, maar zij herkende mij niet en vroeg op huilerige toon wie ik was.

    • Tonny van der Horst