Schakers

Een van de dingen waarover ik me telkens weer verwonder is het feit dat ik niet goed schaken kan. Ik vind: ik zou het moeten kunnen, het past zo bij mij. Ik hou niet erg van spelletjes, of spelen - maar van schaken wel. Als ik om een of andere reden elke dag twee uur zou moeten schaken, zou ik daar geen bezwaar tegen hebben. Ik schaak vanaf m'n zesde - en kan er nog steeds niet veel van, dat is het vreemde. Ik kan geen partij, en bijna geen stelling onthouden. Ik kan geen opening leren zonder bord, ik kan niet simultaan en niet blind schaken. Toch heb ik in m'n leven een paar mooie partijen gewonnen, tegen sterke spelers. Ik schaak vrees ik zoals ik schrijf: alsof het m'n eerste partij is. Ik weet niets, sta op nul, stel mij geheel open voor de mogelijkheden van binnenuit en concentreer mij tot het uiterste. Ik speel expressionistisch. Het is duidelijk: zo word je schrijver, nooit schaker.

En toch... Ik hou van het spel, zijn spelers zijn mijn helden. Ik kan een krant kopen alleen om te weten hoe de stand in Linares is. Teletekst no 636 is het beste en het spannendste wat de tv mij te bieden heeft.

Een paar keer per jaar bezoek ik een toernooi. Meestal het kersttoernooi in Groningen, want dat is dichtbij. Ik ga om nieuwe spelers te zien. Mensen over wie je al veel gehoord en gelezen hebt eindelijk in levenden lijve mee maken, horen wat ze te zeggen hebben. Maar ook om de sfeer te ondergaan. Een grote zaal, waar een week tevoren nog een wielerwedstrijd werd gereden en de volgende maand Miss-verkiezingen of bokswedstrijden worden gehouden - is nu gewijd aan het 34ste internationale schaaktoernooi: 200 spelers achter de borden en 300 die daar tussendoor schuifelen, toekijken en als ze elkaar wat te zeggen hebben dat fluisterend doen.

Hoe moedig je schakers aan in hun strijd? Je moedigt ze niet aan, je hoopt alleen dat jij hetzelfde ziet als zij. Dat is precies wat ik me herinner uit de tijd dat ik in de competitie speelde: de angst dat je tegenstander meer ziet dan jij. Hij ziet jou en jij ziet hem niet - schaken is je reinste horror. Een sterke zet van je tegenstander moet pijn doen, zei Euwe eens. Dat helpt je een goede schaker te worden. Ik ken die pijn, maar mis de andere kwaliteiten om die pijn te vermijden.

Ik sta bij Lékó, het Hongaarse wonderkind, 'de jongste grootmeester aller tijden'. Een lange, elegante jongen, rank als een rietstengel, zestien jaar. 'Wordt wereldkampioen.'

Ik sta bij de partij Kamsky-Piket. Kamsky is aan de wandel, komt haastig terug en gaat zitten. Nipt met duim en middelvinger aan zijn witte manchetten, vouwt zijn handen tot een brug en overziet de nieuwe situatie. Tweeëntwintig jaar. 'Wordt wereldkampioen.'

Ik sta bij Rena Mamedova uit Oezbekistan. In een keurig mantelpakje naar Groningen gekomen om haar meestertitel te halen. Vrouwen en mannen schaken tegenwoordig tegen elkaar. Er schijnen nog steeds mannen te zijn die het niet verdragen van een vrouw te verliezen. Wat ik niet kan navoelen. Als ik dan toch verslagen word, dan liever door een vrouw.

Sommige schakers hebben de gewoonte na hun zet op te staan, naar je toe te komen en je een tijdje aan te kijken. Dat betekent niet dat ze je zien. Je hoeft ook niet te reageren, nog minder dan dat je in een dierentuin zou reageren als er opeens een baviaan naar jou kijkt. De grote Karpov is na Pc7 opgestaan, heeft mij een tijd diep in de ogen gekeken alsof hij er alsnog de rechtvaardiging van zijn zet kon vinden - en is weer doorgelopen.

Dat Jan Timman zo vaak onnodig verliest is wel 's uitgelegd als 'desinteresse': misschien voelt hij in zijn hart dat er 'wel betere dingen te doen zijn dan schaken'. Per slot, wat is de intellectuele waarde van een openingsrepertoire. Is het schrijven van een roman bijvoorbeeld niet een 'veel hogere' bezigheid? Ik weet het niet. Schaken is vechten. Schrijven niet. Een boek mag mislukken; dan geef je het eenvoudig niet uit. Jammer van de tijd, maar niemand die het merkt. Een schaker die verliest, krijgt 'een pak slaag', in het openbaar, iedereen ziet het. Schaken is je nek uitsteken. Daar heb je moed voor nodig. Schrijvers hebben die doorgaans niet. Zouden ze wel moeten hebben. Dat zou hun werk ten goede komen.

    • Gerrit Krol