Ruim helft van Europeanen wil de Europese munt

BRUSSEL, 23 JAN. Van de inwoners van de Europese Unie is 54 procent voorstander van de totstandkoming van de Economische en Monetaire Unie (EMU) in 1999. Dat blijkt uit het jongste opinieonderzoek dat op last van de Europese Commissie is gehouden van 16 tot 20 december vorig jaar.

Met deze resultaten gaf de Europese Commissie gisteren de aftrap voor een driedaagse ronde-tafelconferentie waarmee een grootschalig publiciteitsoffensief voor de muntunie is begonnen. De EMU begint, volgens het Verdrag van Maastricht, in 1999 met de leden van de Europese Unie die voldoen aan de vijf financiële criteria voor deelname. De daadwerkelijke invoering van de 'euro' vindt plaats in het halfjaar voor juli 2002. Europees Commissaris Thibauld de Silguy, die belast is met de invoering van de muntunie, noemde de introductie van de euro “een taak zonder precedent in de geschiedenis van het continent”.

Eerder op de dag spraken de Europese ministers van Financiën eensgezind de verwachting uit dat de huidige economische terugval in de Europese Unie tijdelijk is, en dat de economische groei in Europa in de tweede helft van dit jaar weer zal aantrekken. Het inzakken van de groei en het oplopen van de werkloosheid in met name Duitsland en Frankrijk, algemeen beschouwd als de twee noodzakelijke kernlanden van de toekomstige muntunie, hebben de laatste weken twijfel doen rijzen of de criteria voor deelname aan de muntunie (onder meer een maximaal begrotingstekort van 3 procent) haalbaar zijn in 1997, het jaar waarin deelnemers aan de muntunie aan de criteria moeten voldoen.

Voorzitter Alexandre Lamfalussy van het Europese Monetaire Instituut, de voorloper van de Europese Centrale Bank, zei tijdens de ronde-tafelconferentie “geen van de traditionele tekenen” te zien die aan een recessie voorafgaan. De Italiaanse premier Dini noemde de economische terugval “slechts een korte pauze”.

In een Duitse krant zei ex-voorzitter van de Europese Commissie Jacques Delors vanmorgen echter dat het “moeilijk zal zijn om de EMU volgens het tijdschema te kunnen beginnen”. Ook een van Frankrijks topbankiers, Marc Vienot van Societé Generale, zei gisteren voor de Franse pers dat het voldoen aan de Maastricht-criteria de meeste Europese landen “dwingt tot een deflatoire politiek die ondraaglijke effecten riskeert”.

De ministers van Financiën bespraken gisteren op initiatief van de Belgische minister Maystadt de mogelijkheid van een regulier overleg tussen bewindslieden van Financiën, Sociale Zaken en vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers op Europees niveau, volgens een diplomaat om “misverstanden over een verondersteld verband tussen de voor de EMU-criteria benodigde overheidsbezuinigingen en de hoge werkloosheid” (gemiddeld 11 procent) in de EU weg te nemen. De Belgische premier Dehaene merkte in dit verband tijdens de conferentie op dat “de publieke opinie, in plaats van de EMU-criteria, wel eens het grootste obstakel zou kunnen worden voor het slagen van de muntunie”.

Hoge Duitse functionarissen, onder wie de minister van Financiën, Waigel, ontbreken op de conferentie. Voor de publiciteitscampagne rond de euro is op Europees niveau rond 30 miljoen gulden uitgetrokken. Denemarken, dat niet zal deelnemen aan de muntunie, en Groot-Brittannië, dat een voorbehoud heeft gemaakt, hebben laten weten dat de campagne niet in hun land zal worden gehouden. De Britse minister van Financiën, Clarke, noemde het euro-offensief gisteren “ontijdig”.

    • Maarten Schinkel