Opmerkelijke resultaten metingen in atmosfeer Jupiter

De metingen die onlangs door de Amerikaanse ruimtesonde Galileo naar de aarde zijn gezonden, hebben nieuwe, onverwachte gegevens over de atmosfeer van de reuzenplaneet Jupiter opgeleverd. Dat werd gisteren bekendgemaakt door onderzoekers van het Ames Research Center in Mountain View in Californië. Op dit onderzoekscentrum van de Amerikaanse ruimtevaartorganisatie NASA werd de capsule van de Galileo gebouwd, die op 7 december aan een parachute in de duizend kilometer dikke atmosfeer van Jupiter afdaalde.

De eerste gegevens die nu zijn vrijgegeven, worden door de NASA nog “zeer voorlopig” genoemd maar blijken voor Jupiter-onderzoekers toch al een aantal verrassingen te bevatten. Zo bleken de windsnelheden die de sonde registreerde tijdens de 57 minuten die zij in werking was, hoger dan verwacht. In de voor 90 procent uit waterstof bestaande atmosfeer werden snelheden gemeten tot 530 km per uur, terwijl men had gerekend op zo'n 400 km.

Ook registreerde de sonde tijdens de afdaling zeer krachtige turbulenties. Volgens NASA-onderzoeker Richard Young worden deze turbulenties waarschijnlijk veroorzaakt door de warmte die uit het (vloeibare) inwendige van Jupiter ontsnapt. Jupiter zendt zelf méér warmte uit dan de planeet van de zon ontvangt. Die warmte is misschien een restant van het ontstaansproces van de planeet, of komt (mede) vrij doordat Jupiter nog steeds héél langzaam inkrimpt: misschien een millimeter per jaar.

De sonde heeft verder ontdekt dat bliksemontladingen op Jupiter tien keer minder vaak voorkomen dan op aarde. Dit zou volgens de onderzoekers wijzen op het (vrijwel) ontbreken van water in de wolken op Jupiter. Bovendien verkleint deze bescheiden bliksemfrequentie de kans op de vorming van grote hoeveelheden complexe organische verbindingen in de atmosfeer. Zulke verbindingen hebben op aarde mogelijk de aanzet gevormd tot het ontstaan van leven.

Opmerkelijk is dat zich in de atmosfeer van Jupiter slechts ongeveer de helft van de verwachte hoeveelheid helium bevindt. Ook de hoeveelheden neon en enkele zwaardere elementen - die er overigens in uiterst geringe hoeveelheden voorkomen - blijken kleiner dan verwacht. Planeetonderzoekers kunnen nu met behulp van deze nieuwe metingen hun modellen van het ontstaan en de chemische evolutie van Jupiter verfijnen, om zo ook meer te weten te komen over de omstandigheden in de oernevel waaruit ooit ons gehele zonnestelsel is ontstaan.

    • George Beekman