'Kabinet benut te weinig ruimte voor vernieuwing'; Franssen over vrijheid van onderwijs, de VVD en 'paars'

ZWOLLE, 23 JAN. J. (Jan) Franssen (44) brandt van ongeduld. De paarse coalitie grijpt volgens hem niet de kansen die regeren zonder het CDA biedt. “Kok en Bolkestein noemen 'paars' een gewoon kabinet, maar dat is het natuurlijk niet”, zegt Franssen. “Het biedt historische kansen om allerlei taboes te doorbreken. Het kabinet zou dan ook meer gebruik moeten maken van de opperste verwarring waarin het CDA verkeert.”

Franssen, die in 1994 zijn lidmaatschap van de Tweede-Kamerfractie van de VVD verruilde voor het burgemeesterschap van Zwolle, gooide eind vorig jaar dan ook zelf de knuppel in het hoenderhok. Op een bijeenkomst van zijn partij bepleitte de voormalig onderwijsspecialist van de VVD aanpassing van artikel 23, het grondwetsartikel dat de verzuiling van het onderwijs in stand houdt.

Franssen raakte daarmee een van de open zenuwen van de pacificatie-democratie. Groot rumoer was dan ook het gevolg toen H. Dijkstal, partijgenoot van Franssen en minister van binnenlandse (en constitutionele) zaken, de opvatting van de burgemeester bleek te delen. De regeringspartijen namen afstand van de minister, die zelf overigens in het spoeddebat dat volgde ook enigzins gas terugnam. Het CDA overwoog een motie van wantrouwen.

De aanstichter van alle verwarring blijft echter bij zijn pleidooi. Het vormt de cri de coeur van een lokaal bestuurder die zich na zijn komst naar het stadhuis in de geboortestad van Thorbecke de beperkingen was gaan realiseren die de landelijke onderwijswetgeving oplegt aan plaatselijk onderwijsbeleid. Franssen windt zich op over het feit dat “overal gedecentraliseerd kan worden, behalve in het onderwijs”. Doordat elke delegatie van onderwijsbevoegdheden van rijk naar gemeenten in landelijke wetten moet worden vastgelegd, wordt een effectieve aanpak van grote-stadsproblemen gefrustreerd, aldus de burgemeester.

“Vorige week nog had ik een gesprek met wat ambtenaren over een hele kleine wijk van vijf straten, de Indische buurt. Die bestaat puur uit autochtonen, mensen die generaties lang werkloos zijn, veel echtscheidingen kennen, sociaal gedesoriënteerd zijn, enzovoorts. Daar kan alleen een doorbraak in bewerkstelligd worden als je de problemen integraal aanpakt en mensen activiteiten laat ondernemen waardoor ze weer zelfvertrouwen krijgen. Onderwijs en bijscholing zijn daarbij onmisbaar. Maar het kost grote moeite scholen bij zo'n project te betrekken. De pedagogische provincie is nog steeds niet op samenwerken met andere organisaties ingesteld.”

In het debat dat Franssen met zijn opmerking provoceerde, liet staatssecretaris Netelenbos (onderwijs) weten dat de grondwet wel degelijk ruimte laat voor lokale onderwijsinitiatieven. Daarvoor dient de constitutie wel “dynamisch te worden geïnterpreteerd”. Franssen: “Dat is in de grond van de zaak flauwekul. In de grondwet staat dat de kwaliteitseisen in het onderwijs - de 'eisen van deugdelijkheid' - centraal worden geregeld. Iedere gemeente die eigen initiatieven wil nemen, loopt daar vroeg of laat tegenop. Dat uitgangspunt zal aangepast moeten worden. Overigens heb ik er wel begrip voor dat Netelenbos zo redeneert. Want kabinet en Staten-Generaal maken samen uit wat binnen de grondwet past. Als je daarvoor een meerderheid kunt verwerven, bespaart je dat veel problemen die grondwetsaanpassing met zich meebrengt. Maar als het kabinet die kant op gaat, zegeviert het politiek opportunisme. Alleen de Eerste Kamer kan daar dan iets aan doen. Die zal vragen of de kabinetsvoorstellen zich wel verdragen met de grondwet.”

Eerdere pogingen artikel 23 van de grondwet te wijzigen stierven een snelle dood omdat ze onderwerp werden van polarisatie tussen christelijke en niet-christelijke partijen. De laatste poging kwam van het kabinet-Den Uyl. Toen dienden de ministers De Gaay Fortman en Van Kemenade tevergeefs een wetsvoorstel in om financiering en kwaliteitsbewaking in het onderwijs meer aan de provincies en gemeenten over te laten. Franssen: “Door een wetsvoorstel in te dienen geef je iedereen de kans snel de partijpolitieke loopgraven te betrekken. Dan gaat het mis.”

Liever kiest Franssen daarom de aanpak van de laatste liberale regering van deze eeuw. Ten tijde van het kabinet-Cort van der Linden (1914-1918) vormden de fractievoorzitters een 'pacificatiecommissie' die zich boog over de gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs. Men verliet pas de vergaderzaal toen deze problemen waren opgelost.

Een dergelijke nieuwe pacificatie-commissie waarin ook het CDA vertegenwoordigd is, zou een schoolstrijd kunnen voorkomen, meent Franssen. Dat geldt eens te meer als die commissie de grondslag van het onderwijsbestel, de tweedeling tussen openbaar en bijzonder onderwijs, intact laat. Om aan te geven dat ook bij de christen-democraten het denken niet stilstaat wijst Franssen op een rapport over decentralisatie dat in 1993 onder zijn voorzitterschap tot stand kwam. De commissie bepleitte voor het onderwijs een doorbreking van taboes bij decentralisatie. Namens het CDA tekende F. Wolters, toenmalig vice-fractievoorzitter, voor deze aanbeveling.

De paarse coalitie ontbreekt het aan durf om deze en andere heilige huisjes aan te pakken, zo vindt Franssen. “Dit kabinet benut sowieso onvoldoende de ruimte voor vernieuwing. Neem het omroepbestel. Daar is alleen een commissie aan het werk gezet. Verder gebeurt er weinig. Of de discussie over de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Daar hoor je niets over.”

Ook zijn eigen partij zou zich actiever kunnen opstellen. Franssen vindt dat de VVD meer zou moeten investeren in het vinden van een nieuw evenwicht tussen liberalisering en ontideologisering enerzijds en het zoeken naar moderne vormen van geborgenheid en samenhang anderzijds. “Tot nog toe heeft Bolkestein alleen het traditionele voorstel van Heerma voor een gezinspolitiek omarmd. Terwijl koningin Beatrix in haar kersttoespraak een veel diepere dimensie gaf aan een nieuw evenwicht tussen markt en solidariteit.”

Een partij die het electoraal goed gaat heeft de neiging zich nauwelijks om lange-termijnvraagstukken te bekommeren, voegt Franssen eraan toe. Bovendien heeft de VVD geen sterke intellectuele traditie, constateert hij. Zo mist Franssen een vervolg op Bolkesteins suggestie uit 1994 om in het beginselprogramma van de VVD een verwijzing naar het christendom op te nemen als een van de waarden die een maatschappij fundament en samenhang geeft. Franssen, die lange tijd lid was van de kerkeraad van de hervormde kerk te Nederhorst den Berg, zegt: “Die suggestie van toen is waarschijnlijk een gelegenheidsopmerking geweest. Ik heb er althans geen verwerkelijking in het politiek beleid van gezien. Ik sluit niet uit dat die hele christelijke filosofie Bolkestein eigenlijk niet zo bijster interesseert.”

Paars moet de tijd krijgen om alsnog een doordachte doorbraak in de politieke verhoudingen mogelijk te maken, vindt Franssen. Daarom moet de combinatie tussen liberalen en socialisten ten minste twee kabinetsperioden standhouden. “Eén periode van paars is te weinig om te investeren in wezenlijke samenwerking tussen socialisten en liberalen. Als het bij één periode blijft, kan men altijd zeggen dat PvdA en VVD elkaar vonden omdat het CDA de boel niet op orde had.”

Wat Franssen betreft blijft de PvdA'er Kok leiding geven aan het verlengde paarse bestand. “Hij is de beste premier die Nederland zich op dit moment kan wensen.” Mocht de VVD bij de verkiezingen de grootste partij worden dan ontstaat een interessante situatie. Zal Bolkestein, die zichzelf meer ziet als politiek leider dan als bestuurder, de kans laten lopen om na tachtig jaar christen-democratische dominantie de eerste liberale premier te worden?

Franssen: “Ik kan me voorstellen dat Bolkestein die historische kans niet laat lopen. Overigens ken ik - met alle waardering die ik voor hem heb - een premier van VVD-huize die zich bij het volk geliefder zou kunnen maken dan Bolkestein. Dat is Hans Wiegel. Het is een man met wie mensen, ook jongeren, zich gemakkelijker identificeren dan met Bolkestein. Laatst had ik in mijn nieuwe huis een jonge elektriciën op bezoek die zei: u bent toch van de VVD? Nou, dat stem ik ook al jaren, want die Wiegel vind ik zo'n leuke vent.”

Bij een voortzetting van paars ziet Franssen de rol van D66 zwakker worden. Zo verbaasde hij zich erover dat de Democraten, in menig opzicht de tegenvoeter van het CDA, de onderwijskwestie niet oppakten en zich juist tegen minister Dijkstal afzetten. “Het toont eens te meer de absolute verwarring aan over de identiteit van D66. Als paars standhoudt kan D66 op den duur verdwijnen. Wanneer Bolkestein en Kok elkaar op eigen kracht vinden, is de makelaarsrol van D66 tussen VVD en PvdA overbodig geworden. En als de staatkundige-vernieuwingsdiscussie is geluwd, heeft D66 helemaal geen meerwaarde meer. Want laten we wel zijn, een man als Wijers zou een uitstekende VVD-minister zijn. Hij is welkom in de VVD, maar zover zal het niet komen. Hij is namelijk de enige die Van Mierlo als partijleider kan opvolgen. Ik geloof Wijers als hij zegt dat hij die functie niet wil. Het partijleiderschap moet je niet willen. Dat moet je opgedrongen krijgen.”

    • Kees Versteegh