Ideeën Amir druisen in tegen thora

Carola Kloos is blijkens het onderschrift onder haar artikel oud-testamentica. Dat blijkt duidelijk: in de bijbelwetenschap is zij goed thuis, maar de Judaistiek is haar vak niet. Overigens: juist als oud-testamentica zal mevrouw Kloos weten dat men de vierletterige Godsnaam niet met het woord 'Jahwe' kan weergeven. De uiteenzetting die gegeven wordt over de (vermoedelijke) totstandkoming van de Hebreeuwse bijbel is in de grote lijnen bijbelwetenschappelijk correct. Alleen een man als Yigal Amir en zijn groep hebben niets met bijbelwetenschap van doen. Carola Kloos mag de vroege bijbelverhalen mythen noemen (en misschien latere ook nog wel), voor Amir en zijn groep geldt dat stellig niet. In dit verband is het ook interessant te vermelden dat Buber (in zijn boek over Mozes) mythen en legenden aanduidt als de “wijze waarop een volk zichzelf en zijn oude geschiedenis vertelt”.

Amir hoort thuis in de groep religieuze Zionisten. Ook die groep heeft een intellectuele ontwikkeling doorgemaakt. Twee gedachten zijn voor hen fundamenteel. Ten eerste: dat de thora (de vijf zogenaamde Mozes-boeken; de Pentateuch) in de vorm waarin wij deze nu nog kennen, aldus letterlijk zo door God aan Mozes zijn gegeven. In hun terminologie heet dat Tora min hasjamjiem - thora uit de hemel. Ten tweede: God zal ooit aan het einde der dagen zijn Messias zenden, die deze hele geschonden wereld weer heel zal maken.

De goddelijke herkomst van de thora brengt voor hen, die dat 'leerstuk' aannemen, met zich mee dat er aan deze tekst niets veranderd mag worden en dat de betrouwbaarheid en de juistheid van alles wat er in de tekst staat, principieel niet kan worden betwijfeld. Die betrouwbaarheid en juistheid staan buiten elke discussie. Dat de thora in de omstandigheden van vandaag niet als juridische titel bruikbaar zou zijn, is voor deze groep niet alleen onaanvaardbaar, het is voor hen zelfs ondenkbaar. In de thora wordt 'het land' als eeuwig bezit aan de nakomelingen van Abraham Isäak en Jakob toegekend. Ook daaraan valt in de gedachtengang van een man als Yigal Amir niet te tornen.

De joodse messias-gedachte is na-bijbels. In de Hebreeuwse bijbel betekent - zoals mevrouw Kloos terecht opmerkt - messias uitsluitend 'gezalfde'; de gezalfde koning of de gezalfde priester. Het woord slaat uitsluitend op het feit van de wijdingszalving, zelfs als het ten aanzien van de Perzische koning Cyrus wordt gebruikt (zie Jes. 45:1). De oorsprong van de messias-gedachte ligt in de tijd van de Romeinse overheersing in de eeuwen rond het begin van de huidige jaartelling. Pas in de loop van de middeleeuwen (en later) is met name in de kringen van de mystici deze messias-gedachte verder uitgewerkt. Langs die weg en mede ten gevolge van niet aflatende vervolgingen is hij algemeen verbreid volksgeloof geworden. Tot de (latere) ontwikkeling van deze gedachte behoort de opvatting dat de komst van de messias pas zal plaatsvinden als heel erets yisrael (het land van Israel) weer door joden bewoond zal zijn. Toen in 1967 de staat Israel grote delen van het oude rijk van David en Salomo veroverd had (de westoever van de Jordaan; de Golan-hoogvlakte; heel Jeruzalem) ging er een golf van verwachting door deze kringen. De enorme drift waarmee nederzettingen in die gebieden werden gevestigd, hangt met de voltooiing van deze gedachte samen.

Nu komt de regering-Rabin en verklaart zich bereid stukken van dit land aan niet-joden af te staan - land in ruil voor vrede. Voor de religieuze Zionisten is dat afstaan van delen van erets yisrael letterlijk verraad. Verraad jegens Gods uitgesproken belofte en verraad omdat het de komst van de messias verhindert. Met dit laatste pleegt Rabin c.s. in hun ogen verraad aan het joodse volk en aan de gehele mensheid, die immers evenzeer deel zou hebben aan het heelworden van deze geschonden wereld.

Met de vraag of de vroeg-bijbelse verhalen mythen zijn heeft de instelling van deze groep niets te maken. Ook de juiste opmerking van mevrouw Kloos dat de Hebreeuwse bijbel voor de huidige Israeliërs vaderlandse geschiedenis is, heeft hiermee niets te maken. Is het verhaal uit de Nederlandse vaderlandse geschiedenis dat de Batavieren omstreeks het jaar 100 precies bij Lobith de Rijn kwamen afzakken, niet evenzeer een mythe?

De zaak is veel ernstiger. Amir is tot zijn daad gekomen in strijd met fundamentele zienswijzen uit het talmoedische recht. De thora kent achttien misdrijven waarop de doodstraf staat. Deze doodstraf diende uitgesproken te worden door het groot gerechtshof (Sanhedrin) van zeventig rechters. Er was eenstemmigheid voor nodig. Na de verwoesting van de tempel in 70 bestond er geen Sanhedrin meer. Derhalve kon er geen doodvonnis meer worden uitgesproken. De talmoed (Tractaat Makkot I:10) citeert bovendien vooraanstaande geleerden die zeiden: “Een gerechtshof dat meer dan eens in zeven jaar (sommigen zeggen meer dan eens in zeventig jaar) een doodvonnis uitspreekt, is een destructief gerechtshof”.

Het is onbegrijpelijk dat - afgezien van de gruwelijkheid van de daad op zichzelf - voor een man als Yigal Amir deze overwegingen niet hebben gegolden om hem van zijn wandaad af te houden.