Hondse angstdromen

Daniel Pennac: Hondeleven. Vert. Els van Delden. Uitg. Ploegsma, 164 blz. Prijs ƒ 27,90.

Gaat dit boek nu over een hond of is die hond metafoor voor een vluchteling, een vreemdeling, een kind, een ongewenste buitenlander? Dat bleef ik me maar afvragen terwijl ik met bonzend hart en wild genietend Hondeleven van Daniel Pennac las. En waarom zou een boek dat over een hond gaat niet gewoon over een hond gaan van begin tot einde en verder niets? Vooral niet als het zo'n fijn boek over een hond is als dit? Sja. Misschien maakt juist het feit dat het zo meeslepend is, het zo moeilijk om in de hondigheid van dit boek te geloven. De hond die er de hoofdpersoon van is, is aan de ene kant weliswaar geheel en al hond, met het vermogen luchtjes op te sporen, met een voorkeur voor botten en kluiven en met onredelijke angsten voor allerlei mensendingen, maar doordat we zo geheel en al in zijn hoofd komen te wonen en weten wat hij denkt en zelfs zegt - tegen andere honden - doordat we zijn nare jeugd en zijn angstdromen kennen, daardoor is hij toch ook eigenlijk geen hond. Want van een hond weet je dat niet. Hooguit in dromen kun je je wel eens moeiteloos met een dier verstaan, maar in het echt nooit.

Het raadselachtige van een hond, voor een mens, is nu juist dat die hond anders en onkenbaar is. Andere mensen zijn natuurlijk ook onkenbaar, maar toch kunnen ze zichzelf meer uitleggen dan een hond. Bij honden komt het geheel en al op interpretatie aan. Zodra een hond ons dus toelaat tot wat er in zijn hoofd omgaat, kost het moeite om hem nog langer als een hond te beschouwen. Vandaar waarschijnlijk dat de interpretatielust bij dit boek zo de richting van asielzoekers of vluchtelingen op ging. Want zo menselijk is het leven van deze hond: geboren op een verkeerde plek en met een uiterlijk dat het in de rest van de wereld niet bijzonder goed doet, verlaat hij zijn oorspronkelijke vuilnisbelt om in een vreemde stad (Nice) een beter leven te zoeken. Want hij heeft gehoord dat dat daar heel makkelijk kan. Natuurlijk komt hij bedrogen uit en belandt in de gevangenis (het asiel), krijgt toch nog een verblijfsvergunning doordat een Parijs meisje hem wil, maar die heeft al weer gauw genoeg van hem. Volgt een periode van moeizaam aanpassen aan de nieuwe omstandigheden in de grote vreemde stad, wat niet meevalt maar uiteindelijk lukt. De Hond is dan veel volwassener en wijzer geworden.

Dat klinkt misschien braaf, maar de Franse schrijver Daniel Pennac, van wie al eerder onder andere twee boeken over de ondernemende jongen Kamo werden vertaald, heeft een heel on-brave manier van schrijven. Fris en brutaal en met vaart is het allemaal, en nooit sentimenteel al zijn er in dit boek allerlei momenten waarop dat heel gemakkelijk zou kunnen. Want De Hond heeft veel aandoenlijks in zijn jeugdige onbeholpenheid en bovendien is het soms ook werkelijk verschrikkelijk wat hij meemaakt. Hij wordt bijna verdronken, zijn pleegmoeder sterft voor zijn ogen, zijn nieuwe vriend wordt afgemaakt - in een kinderboek over een jong mens zou het misschien allemaal te gruwelijk zijn. En te 'felrealistisch', maar dat stoort weer niet in de hondewereld. Want hoe ruw het ook klinkt: hondelevens zijn goedkoper. We hebben allemaal wel eens een dode hond langs de weg zien liggen, elke zomer staat de krant vol met verhalen over ellendelingen die een hond ergens achterlaten, we leven er kortom nog meer dan bij mensen met onze neus bovenop dat een hondeleven broos en vluchtig is.

In de taal van Pennac wordt dat nooit larmoyant. Het is zijn toon die maakt dat een scène als die in het asiel, waar de honden zitten te wachten tot ze opgehaald en vermoord worden, wel erg is maar niet tè erg. En wat ook scheelt is natuurlijk dat ònze hond nog net gered wordt. Maar zijn vriend niet. En De Hond wordt gered door een weinig goedsvoorspellend stel, twee afschuwelijke volwassenen en een verwend meisje dat zo vreselijk gilt dat alle honden door het dolle van woede en afkeer raken. Alleen De Hond en zijn vriend houden zich koest. “Het gekrijs van dat piepkleine rode zonnetje deed pijn aan hun oren en ze konden niet verhinderen dat hun tanden begonnen te knarsen, maar ze gaven geen kik.”

Hondeleven is een boek over een hond en wie het uit heeft, wil graag een hond om altijd heel goed voor te zorgen en nog liever zou je De Hond of een vergelijkbaar zielig geval willen kunnen redden en de rest van zijn leven vertroetelen. In zijn nawoord heeft Pennac het nog even over de manier waarop we tegen honden (en ook poezen want dat stomme kiezen tussen honden en katten daar heeft hij het helemaal niet op) moeten zijn. Hij zegt nergens: denk ook eens aan mensen. Maar het knappe van zijn boek is dat je dat toch doet, almaar. Zo hoort het ook. Een goed boek vergroot het gevoel.

    • Marjoleine de Vos