'Heilige grond' van joodse fundamentalisten is mythe

Vandaag wordt het proces hervat van Yigal Amir, de moordenaar van de Israelische premier Rabin. Amir handelde volgens Carola Kloos uit godsdienstige motieven, die teruggaan tot de tijd van de Babylonische ballingschap. R.A. Levisson en B.M.S. van Praag zijn het niet eens met haar uitleg van de joodse traditie.

Het Oude Testament bestaat uit een verzameling van geschriften uit verschillende tijden. De geschiedenis die erin wordt beschreven, begint al in het tweede millennium voor Christus, maar dat wil niet zeggen dat die boeken zelf uit zo'n vroege tijd dateren. Na de Babylonische ballingschap (de periode waarin de joden als ballingen in Babylon verbleven in de zesde eeuw voor Christus, daarheen gedeporteerd na de inname van Jeruzalem door de koning van 'Babel') zijn oude verhalen verzameld en herschreven. Dit gebeurde niet uit theoretische historische belangstelling, maar om uit het verleden lering te trekken voor het heden. Zo kregen deze boeken langzamerhand gestalte halverwege het eerste millennium voor Christus.

Het joodse volk verkeerde na de ballingschap in een penibele situatie. Vroeger had het gebied van de Hebreeuwse stammen het rijk Israel in het noorden en het rijk Juda in het zuiden omvat. Israel, met de hoofdstad Samaria, viel in 721 voor Christus ten prooi aan de Assyriërs. Juda, met als hoofdstad Jeruzalem, vond zijn eind in 587 voor Christus, toen de Babyloniërs Jeruzalem innamen en de tempel verwoestten. In 539 voor Christus werd Babylon veroverd door de Perzische koning Cyrus. Deze liet de Judese ballingen terugkeren naar hun land, waar zij de stad Jeruzalem en de tempel mochten herbouwen; maar hun land vormde voortaan een provincie van het Perzische rijk.

Onafhankelijk zijn de joden daarna nog slechts korte tijd geweest. De opperheerschappij van de Perzen maakte omstreeks 300 voor Christus plaats voor die van de opvolgers van Alexander de Grote, de veroveraar die het Perzische rijk ineen deed storten. Na een korte periode van zelfstandigheid werd Palestina in 63 voor Christus ingelijfd bij het Romeinse rijk. Maar inmiddels waren her en der joodse gemeenschappen ontstaan in de diaspora, de verstrooiing.

Toen de ballingen in 539 voor Christus in Juda waren teruggekeerd, troffen zij een bevolking aan van diverse pluimage: joden die niet waren gedeporteerd, afstammelingen van volksgroepen die eens in Israel en Juda hadden gewoond (Kanaänieten, Arameeërs) en nieuwkomers: een etnologisch gemengde bevolking. Nu ging het erom het joodse eigene te profileren, wilde men als joods volk voortbestaan. Het is Ezra, die na de ballingschap de joodse staat heeft geprofileerd. Hij stelde religieuze wetten op met gebruikmaking van een oud wetboek: 'de wet van Mozes' (de thora). Tot zijn systeem behoorde het verbod om met een niet-jood te trouwen. Zo werd een strenge apartheid nagestreefd: het 'zaad van Abraham' moest onbezoedeld blijven.

Het is begrijpelijk, dat men in deze tijd begon met het optekenen van de erfenis uit het verleden. Oude documenten en mondelinge overleveringen werden hiertoe gebruikt, maar men had nog niet de gestrengheid van nu tegenover historische bronnen. Alles draaide om de les die uit het verleden moest worden getrokken. Het centrale thema daarvan was: ongehoorzaamheid aan de enige god, Jahwe, wordt gestraft door nederlagen; omgekeerd wordt gehoorzaamheid aan Jahwe beloond. Hieruit kon men hoop putten voor de toekomst. Om deze les erin te hameren, schroomden de bijbelschrijvers niet de bronnen naar hun hand te zetten. Aanvullingen, ja zelfs censuur op de overlevering - alles diende het goede doel. Men moet terdege hiervan op de hoogte zijn, voor men het Oude Testament als bron voor de 'geschiedenis' tracht te gebruiken. Hoe dan ook, een cruciaal onderdeel van die 'geschiedenis' is het bezit van het land. Het land, dat in deze tijd van concentratie op het verleden zijn zelfstandigheid had verloren.

Alleen al het tijdsverloop tussen de optekening van de (veronderstelde) gebeurtenissen en het plaatshebben van die (veronderstelde) gebeurtenissen zelf moet ons argwanend maken omtrent hun historiciteit. Kan men werkelijk in de zesde eeuw voor Christus nog iets betrouwbaars zeggen over het vorige millennium? Er is onderzoek gedaan bij Arabische nomaden in een voor-schriftelijk stadium. Hun herinneringen aan 'grote veldslagen' bleken terug te gaan tot de tijd van hun grootvaders, niet verder. We kunnen dus rustig aannemen, dat de vroegste 'bijbelse geschiedenis' op fictie berust. Laat ik er iets van ophalen.

Halverwege het tweede millennium voor Christus heet de aartsvader Abraham zich in Kanaän (een oude benaming voor Palestina) te hebben gevestigd. Hij krijgt van zijn god de belofte dat hij talrijke nakomelingen zal krijgen, die het hele land Kanaän voor altijd zullen bezitten. Later geldt deze belofte voor de drie aartsvaders, Abraham, Isaäk en Jakob. In de genealogie die de bijbelschrijvers hebben opgesteld, is Isaäk Abrahams zoon, Jakob de zoon van Isaäk. Jakob kreeg volgens de verhalen twaalf zoons, onder wie Jozef die in Egypte terechtkwam. We hebben hier kennelijk met een 'constructie' van doen: de namen van Jakobs zoons corresponderen (vrijwel geheel) met die van de twaalf stammen van het latere Israel. Elke stam heeft zo zijn voorvader gekregen. Het genealogische schema dient om de belofte van het land voor elke stam te laten gelden.

Het verhaal wordt voortgezet in Egypte, waar Jozefs familie zich bij hem heeft gevoegd en nageslacht heeft gekregen. Deze 'Israeliërs (van 'joden' is pas veel later sprake) verbleven volgens het verhaal lange tijd als slaven in Egypte, waaruit zij tenslotte door Jahwe werden bevrijd. Onder leiding van Mozes trokken ze weg (de exodus) naar het 'beloofde land' Kanaän. Daar aangekomen, veroverden zij onder leiding van Jozua het land. Dit zou omstreeks 1200 voor Christus hebben plaatsgehad.

Deze verhalen hebben in zoverre een historische achtergrond, dat er een voortdurend va et vient was van half-nomadische clans en stammen. Hongersnood in Palestina dreef hen naar de Nijldelta, maar de omgekeerde beweging bestond ook. Dat een heel volk (Israel) een zo sterke eenheid vormde, dat het als één geheel Kanaän binnenviel en het veroverde, is in die tijd ondenkbaar. Archeologisch is er ook niets van deze veronderstelde gebeurtenis terug te vinden. Men moet het zich zo voorstellen, dat voortdurend groepen nomaden sedentair werden en sedentaire groepen tot nomaden werden. Bepalend hiervoor was de regenval, de hongersnood, de noodzaak zich een bestaan te verwerven. Wij krijgen vaster grond onder de voeten aan het begin van het eerste millennium, toen er een koninkrijk werd gesticht dat Israel èn Juda omvatte. De grote koning uit de traditie was koning David, wiens zoon Salomo de tempel in Jeruzalem heet te hebben gebouwd. Overigens zijn er altijd 'Kanaänieten' in het land gebleven; zij hebben de religieuze gebruiken en teksten van de Israelieten zelfs verregaand beïnvloed. Na Salomo ontstond er een scheuring in het rijk. Hoe het het noordelijke rijk Israel en het zuidelijke rijk Juda ten slotte verging, heb ik hierboven beschreven.

De oudste 'vaderlandse geschiedenis' van de huidige staat Israel berust dus op ideologie. Een ideologie, gecreëerd door de religieuze leiders na de ballingschap, die een overlevingskans wilden scheppen. 'Jahwe heeft ons het land beloofd en als we het verloren hebben, dan komt dat door onze ongehoorzaamheid'. Zo wordt het naleven van de (godsdienstige) wetten terdege ingescherpt en wordt de apartheid in stand gehouden, die de overleving van het joodse volk moest waarborgen.

Dat het land intussen nooit van 'vreemde smetten' was gezuiverd, dat er altijd Kanaänieten woonden die de Israelische cultuur, speciaal de godsdienst, diepgaand hebben beïnvloed, dat paste natuurlijk niet in de ideologie. Het gebied dat volgens de traditie aan koning David had toebehoord, erets yisrael, zou ooit het joodse volk weer toebehoren. De toekomstige koning van dat land zou volgens de bijbelschrijvers behoren tot het geslacht van David. Een koning werd in de oudheid 'gezalfd'. Het Hebreeuwse woord voor 'gezalfde' is mashiach, messias. Dat is dus de betekenis van de joodse messias-verwachting. De Griekse vertaling van mashiach is christos, maar in het christendom heeft het woord zijn politieke implicatie verloren.

Menigeen die zich wil distantiëren van de fundamentalistische opvattingen van Amir refereert aan de 'verovering van Kanaän door Jozua' en het 'uitroeien van de Kanaänieten' als historische gebeurtenissen, die evenwel een 'primitief', overwonnen stadium van Israels geschiedenis vertegenwoordigen. Men ziet dan over het hoofd, ten eerste dat het 'verhalen' zijn, ten tweede dat het verhalen zijn met een godsdienstige boodschap. De Kanaänieten moesten worden uitgeroeid wegens hun 'goddeloosheid'; overwinning in die strijd was te danken aan trouw aan Jahwe, nederlaag aan ontrouw aan Jahwe. Ergo: gehoorzaamheid aan Jahwe zal ons het beloofde land teruggeven. Deze boodschap behoort tot de grondslagen van het jodendom, die na de ballingschap zijn gelegd uit bittere nood.

Yitzhak Rabin had de moed om afstand te nemen van het joodse fundamentalisme. Maar zolang dit bestaat, blijft er een voedingsbodem bestaan voor daden als die van Amir, de moordenaar.