De man die niet alleen wilde zijn

Op het 06-11 alarmnummer van de Arnhemse centrale kwamen in de nacht van 8 op 9 september 1995 twee telefoontjes binnen, die door de dienstdoende telefonist niet snel vergeten zullen worden.

Eerst riep een man in paniek: “Er moet een ambulance komen.” Vier minuten later meldde de man zich weer, nu was zijn ontreddering compleet. Hij gooide de hoorn naast het toestel en begon jammerend door zijn woning te ijsberen. De telefonist hoorde het volgende half uur de man kreten slaken als: “I love you!”, “Don't die!” en “Don't go!”.

Er werd in de kamer niets teruggezegd.

De panische beller was Charles Vermeulen, een 36-jarige man met het uiterlijk van een Italiaanse filmacteur. Zijn angst bleek gegrond. Zijn vriendin Tatjana, een 23-jarige Russin, overleed enkele uren later aan de gevolgen van de schotwond in haar hoofd die Vermeulen haar had toegebracht. Vermeulen moet zich voor de Arnhemse rechtbank verantwoorden voor moord, doodslag of dood door schuld.

Hoe kon het zover komen? Dat begrijpt Vermeulen nog altijd niet. Hij hield zielsveel van Tatjana, een Russische prostituée die hij eind 1994 samen met vrienden in een seksclub in Gennep had leren kennen. Hij kwam later speciaal voor haar terug en er ontspon zich een serieuze relatie. In april 1995 verliet Vermeulen zijn vrouw, waarna Tatjana bij hem introk. Het was een gelukkig, verliefd stel, vonden vrienden en kennissen. Ook een in Estland woonachtige zus met wie Tatjana veel belde, merkte niets van spanningen.

Vermeulen benadrukt dat er vóór die fatale nacht weinig onaangenaams was voorgevallen. Eén keer had Tatjana gedreigd hem te zullen verlaten - dat was alles geweest. Ze verwachtte inmiddels een kind van hem. Op de avond van 8 september gingen ze samen naar een café waar ze ieder tien à twaalf glazen dronken. Vermeulen ergerde zich omdat Tatjana naar zijn smaak te veel aandacht van andere mannen kreeg.

“Ik heb genoeg van je achterdocht”, had Tatjana op de terugweg in de auto gezegd, “ik ga weg.” Bij hun huis aangekomen, verdween ze in de nacht. Dat had ze niet moeten doen. Die eerste keer was ze ook al even na middernacht weggelopen - en juist daar kan Vermeulen niet tegen. Hij zal het vanmorgen een paar keer zeggen met een schrille ondertoon van wanhoop in zijn stem: “We hadden afgesproken dat ze niet meer midden in de nacht zou weglopen.”

Midden in de nacht - daar gaat het Vermeulen om. “Ze had ook 's morgens kunnen weggaan”, zegt hij. Het vooruitzicht van zo'n eenzame nacht, in de steek gelaten door de vrouw van wie hij hield - daar was Vermeulen niet tegen opgewassen.

Die nacht kwam Tatjana nog wel even terug, maar alleen om haar spullen te pakken. Ze rommelde in de linnenkast en Vermeulen trok haar weg.

“U schold, u was kwaad”, zegt de voorzittende rechter, mevrouw mr. A. Dik.

“Het was niet uit jaloezie”, zegt Vermeulen, “maar omdat ze midden in de nacht wegging.”

Vermeulen keek in de openstaande linnenkast en zag zijn pistool, een Browning, onder een trui uitsteken. Hij had het wapen vier jaar eerder zonder vergunning aangeschaft, omdat hij als autohandelaar vaak met cash geld rondliep. Hij pakte het wapen en duwde Tatjana op het bed. Ze zei: “Als je me toch voor hoer uitscheldt, kan ik net zo goed terug naar die club.” Vermeulen haalde de slede van zijn pistool naar achteren waardoor er een patroon uitviel. Hij raapte de kogel op en zei: “Neem dat dan als souvenir mee voor je pooier.” En hij voegde eraan toe: “Als je weggaat, doe dat dan overdag.”

“No, I go”, zei Tatjana.

Tatjana was niet bang, vertelt Vermeulen zijn rechters. Ze had al zo veel meegemaakt in het Russische milieu. “Ik had het wapen gepakt om indruk op haar te maken, maar ze lachte er om. Ik overwoog even in de linnenkast te schieten, maar ik durfde het niet voor de buren.”

Zij zat schuin voor hem op het bed, hij hield het pistool in zijn rechterhand en probeerde haar met beide handen achterover te duwen. Toen viel het schot.

“Ik schrok van de knal”, zegt Vermeulen, “ik besefte niet dat ik het pistool in de hand had.”

“Het schot kwam van dichtbij haar hoofd”, constateert de rechter. “U zegt dat het wapen in de duwbeweging is afgegaan. Maar u moet de trekker hebben overgehaald. Alleen door het overhalen kan de slagpin ontspannen.”

“Ik ben me daar niet van bewust geweest. Ik wilde niet gericht schieten, daarvoor hield ik te veel van dat meisje.”

“Tegen de politie heeft u gezegd dat u het pistool tegen haar hoofd hebt gezet”, merkt een bijzittende rechter op.

“Ik voelde me superschuldig bij de politie, ik was totaal in de war. Ik weet niet wat ik allemaal heb gezegd.”

Ook een vriendin van Tatjana voelt zich onbegrepen door de politie. Als getuige zegt zij nu onder ede: “Uit mijn woorden, zoals de politie die heeft weergegeven, komt Charles een beetje als een onaardige man naarvoren, maar dat is niet juist.”

“Voelde Tatjana zich eenzaam?” vraagt de rechter.

“Ze miste haar familie, haar zus vooral.”

“Ze zou altijd over Vermeulen hebben geklaagd.”

“Welke vrouw klaagt niet. Het was meer zeuren dan klagen. Het ging over huishoudelijke dingen.”

“Ze mocht niet alleen gaan winkelen.”

“Omdat ze de weg niet kende.”

Zo blijft er voor de rechters onduidelijkheid over de relatie tussen dader en slachtoffer. Wat er die nacht in de slaapkamer precies is gebeurd, valt evenmin te achterhalen. Was het een ongelukje, of handelde Vermeulen wel degelijk uit een mengsel van jaloezie en wraak?

Vermeulen wordt geschetst als een narcistische persoonlijkheid. Hij idealiseerde zijn vriendin, haar schoonheid was een soort balsem voor zijn zo vaak gekwetste eigendunk. Verlatingsangst kwelde hem sinds zijn jeugd, toen hij zich in de steek gelaten voelde door een vader die hem vaak mishandeld had.

De officier van justitie, mevrouw mr. M. de Roos-Schoenmakers, eist zes jaar celstraf. Zij acht niet de moord (opzet en met voorbedachten rade), maar wel de doodslag (opzet) bewezen.

De advocaat, mr. R. Teekens, bestrijdt dat. “Hij wilde haar thuis houden. Waarom zou hij haar dan doden? Hij stortte daarna totaal in, op het politiebureau heeft hij een suïcidepoging gedaan. Van iemand die zo reageert, kun je niet zeggen dat hij de dood heeft gewild.” Hij concludeert tot dood door schuld.

“Ik heb niet gelogen”, zegt Vermeulen, “ ik wilde haar alleen maar beletten die nacht de straat op te gaan.”

(Het vonnis, twee weken later: vrijspraak van moord en doodslag, tien maanden onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor dood door schuld.) De namen van de verdachten en getuigen in deze rubriek zijn om redenen van privacy gefingeerd.

    • Frits Abrahams