Aan Paul van Ostaijens voeten

Voorstelling: Vorm Vormt Vormen van Tom Van Bauwel naar aanleiding van de poëzie van Paul van Ostaijen. Gezien 19/1 theater De Brakke Grond, Amsterdam. Te zien t/m 27/1 aldaar.

Het moet toeval zijn dat Paul van Ostaijen tweemaal in het theater van De Brakke Grond aanwezig is. Eerst is daar het monumentale beeldhouwwerk van hem, groots en dichterlijk, gemaakt door Wilfried Pas. Van Ostaijen zit op een bankje, lichtelijk voorovergebogen, de handen languissant in de broekzakken. Het lijkt of zijn ogen alert over ons heen flitsen. Op een paar armlengtes afstand van Van Ostaijen is er Willem Elsschot, ook gebeeldhouwd door Wilfried Pas. De schrijver van Kaas en Villa des Roses leunt achterover in een majestueuze zetel. Twee verschillende literaire kunstenaars zijn hier te zien: een nerveuze dichter op de vlucht en een schrijver, ogenschijnlijk rustend op zijn lauweren.

Zonder dat de acteur Tom Van Bauwel ook maar een sekonde refereert aan het beeld van Van Ostaijen, speelt hij desalniettemin bijna twee uur lang een solovoorstelling over zijn poëzie aan de voet van dat beeld. Bij de première van Vorm Vormt Vormen in het Raamtheater in Antwerpen was er helemaal geen beeldhouwwerk, waren er alleen een witte klapstoel en een Afrikaanse trommel als rekwisieten.

De solo is gemaakt ter ere van de honderdste geboortedag van Paul van Ostaijen. Op tweeëndertigjarige leeftijd stierf hij, evenals zijn broer en zus, aan longtuberculose. In die luttele spanne tijds dichtte en schreef hij een hoogstpersoonlijk, intrigerend oeuvre dat nauwelijks met enig ander poëtisch werk is te vergelijken. Van Ostaijen is even expressionistisch als verstild, even gebonden aan literaire vormen als een vrijbuiter die elke vorm aan zijn laars lapt, even humoristisch als ernstig, burlesk en tegelijk charmant.

Acteur Tom Van Bauwel begint en eindigt zijn solo zittend te midden van het publiek; hij is de stem onder ons. Gekleed in het zwart brengt hij Van Ostaijens teksten, ontleend aan de bundels De Feesten van Angst en Pijn, Bezette Stad en Nagelaten gedichten. Ik kan het nauwelijks anders zeggen, maar huiver bekruipt me wanneer ik denk aan programma's waarin poëzie wordt 'gebracht'. Associaties met declameerzucht en heiligverklaring dringen zich onverbiddelijk op. Bij Van Bauwel is dat gelukkig anders; hij is een theaterman die de felheid, de confrontatie met het publiek, de epische verhaallijn niet schuwt. Hij durft het aan een zelfportret van Van Ostaijen te beginnen met de woorden: “Ik ben Paul van Ostaijen...' De wet van theater wil nu eenmaal dat je als toeschouwer enkele tellen gelooft in die illusie.

Van Bauwel toont ons vele facetten van de dichter; niet slechts de lyrisch-poëtische zoals in Melopee ('Onder de maan schuift de lange rivier'), maar ook de balsturige vroege Van Ostaijen, de Antwerpse dandy die de gevestigde literaire macht uitdaagde en een nieuwe, anti-sentimentele po-etica ontwikkelde louter op grond van waarheid en oprechtheid. Die polemische opstandigheid krijgt terecht veel ruimte in de uitvoering, ook naar speelstijl. Tom Van Bauwel vertaalt dat verzet in een felle gestiek en beweeglijke lichaamstaal, soms laat hij zich zo meeslepen dat hij schier onverstaanbaar wordt. Hij kondigt de afzonderlijke gedichten niet aan, zodat het ene gedicht vaak zonder merkbare overgang doorschiet in het andere. Zijn optreden is psychologisch portret noch declamatie, hij maakt van de poëzie een vertelling met verschillende gemoedsbewegingen. Uiteindelijk overheerst de melancholie met het weergaloze vers Melopee, met die verbijsterde vraag aan het slot die Van Bauwels onvergetelijk weergeeft: “Waarom schuiven de maan en de man getweeën gedwee naar de zee'.

Van Ostaijen is een dichter die zich door ritme en melodie laat leiden; al lezend merk je dat minder dan wanneer de teksten klinken. Marc groet 's morgens de Dingen is zo'n muzikaal juweel. Van Bauwels speelt het alsof Marc een mechanisch wezenis dat elke ochtend zijn ochtendgroet herhaalt, en tegelijkertijd elke ochtend opnieuw verwonderd is over de dingen. Dat ze er zijn; dat de nacht voorbij is; dat het weer ochtend is en alles er is, onveranderd en tegelijk veranderd. Poëzie leert ons die verwondering telkens opnieuw ondergaan, ook poëzie die niet in stilte wordt genoten maar als theater beleefd.

    • Kester Freriks