'Zonder bijgeloof presteer ik minder'

Je hebt persoonlijk en groepsbijgeloof. Neem het nationale team. Vlak voor een oefenwedstrijd ter voorbereiding op het EK zong iemand in de kleedkamer 'Dit is een nacht'. Al gauw stonden we met z'n allen te galmen. Die wedstrijd speelden we heel goed. En dus zongen we vlak voor elk EK-duel ook weer dat lied.

Ook voor de wedstrijd tegen Kroatië. Maar toch hadden we toen zoiets van 'Oei, het zou vandaag weleens fout kunnen gaan'. Voor het eerst tijdens het EK zaten we namelijk in een andere kleedkamer. Dat soort dingen werken door. Als het de voorgaande duels goed is gegaan, wil je in de aanloop naar een volgende wedstrijd dat alles precies hetzelfde is als die laatste keer. We verloren. Nooit meer die kleedkamer, zeiden we. Iemand heeft dat ook met de organisatie kunnen regelen. Dat is één van de voordelen van een toernooi in eigen land.

Mijn persoonlijke bijgeloof concentreert zich op m'n haar. Waarom weet ik niet eens, want ik ben niet zo'n trutje dat steeds met d'r haar bezig is. Maar vlak voor een toernooi probeer ik altijd een paar dingen uit en als het dan een keer heel goed gaat, draag ik het net zo op het evenement zelf. Zolang het goed gaat, is er niets aan de hand. Maar als ik een mindere wedstrijd speel, komen de twijfels. Toch maar weer die knot, dat oude elastiekje?

Op zulke momenten is bijgeloof heel vermoeiend. Dan zou ik willen dat ik niet bijgelovig was. Maar het hoort gewoon bij een optimale voorbereiding op een wedstrijd. Ik zou niet gauw m'n haar eraf scheren, maar als dat olympisch goud oplevert, speel ik in Atlanta met een kale kop.

    • Paul de Lange