Wagenaar succesvol op première-matinee

Concert: Schönberg- en Asko Ensemble o.l.v. Reinbert de Leeuw. Gehoord 20/1 Concertgebouw Amsterdam. Radio: 26/1 20.02 uur Radio 4.

Minimal music is nog steeds in staat verdeelde reacties op te roepen, zoals zaterdag tijdens de Matinee in het Concertgebouw. “Wat een talent!”, riep iemand cynisch, “zo kan ik het ook, gewoon een naald die in de groef blijft steken.” Maar ook: “Gaaf, geen speld tussen te krijgen!”

Iets er tussenin, zo in de trant van “wel aardig”, hoor je zelden na een uitvoering van een fanatieke compositie van Steve Reich, wiens Eight Lines de tongen losmaakte. Mijn ervaring met minimal music is dat de eerste kennismaking overtuigt, zelfs kan overrompelen, maar dat herhalingen tegenvallen. De muziek slijt snel, zoals je ook maar één keer lacht om een grap. Wel bleef ik zeer geboeid door de uitvoering: enerverend precies en van een hoge klankkwaliteit.

De Nederlandse première van Louis Andriessens Zilver (1994) pakte minder provocerend uit. Ook hier minimal-invloeden, onder meer in de gradueel dalende danwel opklimmende lijnen, gevat in een grote a-b-a-vorm. Maar Andriessen is veel minder fanatiek dan Reich, eerder mystiek in soortgelijke passages als in zijn muziektheater De Materie. Evenals in Eight Lines, gebaseerd op oud-Joodse zangtechnieken, koos Andriessen voor een vocale stijl in een langzaam soort van koraal, vierstemming uitgewerkt voor blazers en strijkers. Daartegen plaatsen vibrafoon, marimba en piano canonische staccato-accenten in instrumentale stijl.

Het Bach-achtige effect van een onverstoorbare melodie binnen een drukker kader werkt fascinerend en de versnellingen in de staccato-akkoorden zorgen voor de nodige opwinding, zonder dat het statige karakter wordt doorbroken. Die trage beweging blijkt niet kapot te krijgen - het slagwerk geeft het op. Jammer dat de grote vorm zo voorspelbaar is.

Minimal music, canons, een Bach-koraal: het zijn evenzovele overzichtelijke gegevens en dat nu kon juist niet gezegd worden van de dichte klankmassa's die Diderik Wagenaar componeerde in Trois Poèmes en prose (1995, eerste uitvoering) in een zetting voor sopraan en uitgebreid kamerorkest met orgel naar Charles Baudelaire's Le Spleen de Paris. Hier staat een laatromantische sfeertekening centraal en niet procescomponeren als abstract ideaal. Het maakte bij de bezoekers zondermeer het meeste enthousiasme los, van cynische uitroepen was ditmaal geen sprake!

Baudelaire-zettingen zijn er legio, in ons land schreven Bernard van Dieren (met een Franse vader!) en Géza Frid eveneens Baudelaire-liederen met een orkest. Want zelfs in zijn proza blijft deze dichter beeldend en klankrijk, een muzikaler schrijver is nauwelijks denkbaar.

De eerste twee liederen zijn bij Wagenaar rusteloos zoekend - aanvankelijk wel degelijk met reminiscenties aan de Haagse Andriessen-school, later herinnerend aan Schats De Hemel. Het derde lied is vooral sterk in zijn consequent volgehouden broeierige kleurenpalet. Daar was Rosemary Hardy voor het eerst goed te verstaan en klonk haar sopraan beheerst. Ondanks het feit dat in de twee eerste liederen meer 'gebeurt', is het derde lied met zijn mistig en enigszins ongrijpbaar karakter pas werkelijk dramatisch.

    • Ernst Vermeulen