Turken moeten drugsprobleem erkennen

Aanwijzingen dat de drugshandel wortel heeft geschoten in de allochtone gemeenschap worden volgens Hassan Kaynak ten onrechte gesmoord in stilzwijgen.

De uitspraak van criminoloog F. Bovenkerk tegenover de enquêtecommissie-Van Traa dat “tientallen procenten Turken in Amsterdam en een kwart van de in Arnhem en Nijmegen wonende Turkse mannen zijn betrokken bij drugshandel”, deed in september vorig jaar veel stof opwaaien. Zijn uitspraak zou stigmatiserend zijn en deugdelijke cijfermatige onderbouwing ontberen. Bovenkerk slikte zijn woorden in en daarmee stokte de discussie. Helaas, want ook los van percentages is er genoeg reden tot bezorgdheid: voor de overheid èn voor de Turkse en Koerdische gemeenschap.

Als de parlementaire enquêtecommissie iets aan het licht heeft gebracht, dan is het wel de ondoelmatigheid van de bestrijding van drugscriminaliteit. Politie en justitie houden zich bezig met opsporing en vervolging van steeds weer nieuwe handelaren. De benadering is te eenzijdig repressief en heeft weinig succes. Voor een samenhangend beleid dient de overheid te achterhalen wat de drijfveren zijn van mensen die zich in de drugshandel begeven.

Turkse en Koerdische organisaties wijzen de drugshandel officieel af, maar ze durven niet toe te geven dat een deel van hun achterban er daadwerkelijk nauw bij betrokken is. In moskeeën besteden imams in hun preken regelmatig aandacht aan ongewenst gedrag zoals alcoholgebruik, gokverslaving en ook drugshandel. Linkse organisaties wijzen de drugshandel en -gebruik resoluut af omwille van de volksgezondheid. Maar deze woorden worden helaas niet omgezet in daden. Uit angst, zo weet ik, omdat het de wijdverbreide mening zou kunnen ondersteunen dat 'allochtonen de oorzaak zijn van de criminaliteit'. Ook is het niet gebruikelijk om 'de vuile was buiten te hangen'.

Met het niet omzetten van woorden in daden bedoel ik dat organisaties geld waarvan vermoed kan worden dat het afkomstig is uit de drugshandel, niet altijd als gift weigeren. Naar de herkomst van verdacht geld wordt niet altijd gevraagd. De invloed van drugshandelaren kan zich zo steeds verder uitbreiden. Ik wil hier uitdrukkelijk stellen dat uit deze woorden niet de conclusie mag worden getrokken dat Turkse en Koerdische organisaties met drugsgeld worden gefinancierd. Dat is absoluut niet het geval. Ik wil alleen wijzen op een tendens, die zich kan uitbreiden.

Individuele Turkse en Koerdische drugshandelaren krijgen vanuit de gemeenschap zelden of nooit afkeurende reacties. Integendeel, ik merk dat drugshandelaren binnen de gemeenschap steeds meer aanzien krijgen door het vele geld dat zij 'verdiend' hebben. Drugshandel wordt zo gaandeweg een normaal en sociaal geaccepteerd verschijnsel.

Vertegenwoordigers van Turkse en Koerdische organisaties die reageerden op Bovenkerks uitspraken hebben zich beperkt tot zijn onjuiste percentages. Naar mijn mening maakt het niet vreselijk veel uit of het om dertig, vijftien of tien procent gaat. De vraag is of de drugshandel in de Turkse en Koerdische gemeenschap ernstige vormen heeft aangenomen. Ik vind van wel. In de 23 jaar dat ik nu in Nederland woon, heb ik de handel zien uitgroeien van een marginaal 'oorfluisterend taboe' tot een opzichtig element in het Turkse en Koerdische gemeenschapsleven.

Werkt het in ons nadeel als we dit erkennen? Ik ben ervan overtuigd dat ontkennen dat nog meer doet, al blijft het een feit dat het overgrote deel van de gemeenschap zich verre houdt van de drugshandel. Ik ben me ervan bewust dat erkenning ook riskant is. Waarom zouden allochtone bevolkingsgroepen zich openlijk moeten uitspreken over wangedrag van anderen die tot die groep behoren? Zo'n eis is in zijn algemeenheid niet terecht. Maar in dit geval vind ik het wel passend omdat het gaat om een maatschappelijk probleem met zeer ernstige gevolgen, óók voor de Turkse gemeenschap zelf.

Turkse organisaties moeten hun medeverantwoordelijkheid nemen in de bestrijding van de drugshandel als in Nederland woonachtige burgers, èn omdat dit probleem de Turkse gemeenschap direct aangaat. De toegenomen handel brengt onveiligheid en spanningen met zich mee. Vrouwen en kinderen gaan eronder gebukt, families en sociale structuren vallen erdoor uiteen.

Ook al is de Turkse en Koerdische gemeenschap niet collectief verantwoordelijk voor de toegenomen drugshandel, ze kan collectief wel een bijdrage leveren aan de bestrijding ervan. Bijvoorbeeld door binnen de gemeenschap te starten met een brede campagne met een motto als 'Drugshandel en drugsgebruik zijn moordend'. De Turkse en Koerdische organisaties hebben een grote voorsprong op de overheid wat betreft hun invloed binnen de Turkse gemeenschap: het overgrote deel daarvan kunnen zij bereiken. De eigen organisaties zijn als enige in staat een 'openbaar debat' te initiëren over de drugshandel. We moeten voorkomen dat drugshandel normaal wordt: het is en blijft een ernstig misdrijf. Nog altijd is er een hechte onderlinge band in de Turkse en Koerdische gemeenschap. Die band kan worden aangewend om deze handel met zijn desastreuze gevolgen terug te dringen. Als we dit probleem overlaten aan de volgende generatie zijn we te laat.

De overheid kan drugshandel terugdringen door serieus te werken aan oplossingen van maatschappelijke problemen waarmee allochtonen kampen en waardoor drugshandel zo aantrekkelijk voor hen wordt: werkloosheid, onderwijsachterstanden, slechte huisvesting etcetera. Pas dan zijn opsporing en vervolging meer dan symptoombestrijding.

Dit betekent echter niet dat de Turkse en Koerdische organisaties in Nederland achterover kunnen leunen tot de overheid deze problemen heeft opgelost. Zij hebben een eigen verantwoordelijkheid. Ik pleit ervoor dat de Turkse en Koerdische gemeenschap en organisaties de betrokkenheid van een deel van hun achterban bij de drugshandel erkennen en dat zij actief meewerken aan bestrijding. Daarmee nemen we onze medeverantwoordelijkheid voor de samenleving waarin onze kinderen opgroeien.

    • Hassan Kaynak