Nieuw Griekenland

NU ANDREAS PAPANDREOU, door ziekte gedwongen, echt de handdoek in de ring heeft gegooid en zich heeft laten opvolgen, dringt de vraag zich op wat deze Griekse socialist voor Griekenland heeft betekend. Het antwoord op die vraag is dubbelzinnig: heel veel en toch ook heel weinig. Papandreou is op verschillende momenten in de geschiedenis het boegbeeld geweest van de gekrenkte nationale trots der Grieken, hij is echter tevens de man geweest die deze verdienste niet heeft willen of kunnen kapitaliseren.

Andreas Papandreou heeft als politicus een januskop gehad. Woord en daad hebben steeds ver uiteengelopen, zijn hele leven lang.

Tijdens de Metaxas-dicatuur (1936-1941) was hij trotskist en getalenteerd econoom in spe, hetgeen toen overigens zeer goed samenging. Na de oorlog was hij Griek-in-ballingschap in de Verenigde Staten en werd daar aangestoken door de moderne democratie. In de jaren zestig ontpopte hij zich, weer terug in Griekenland, als minister in het kabinet van zijn vader als representant van nieuw links. Gedurende de kolonelsjunta (1967-1974) etaleerde hij zich, wederom in ballingschap, als enige hoop voor het verzet en negeerde daarmee ostentatief de binnenlandse oppositie in zijn vaderland. NA DE VAL VAN het kolonelsregime deed hij voorkomen alsof alle vernieuwende krachten zich zouden moeten kunnen vinden in zijn Panhelleense socialistische beweging (Pasok) zonder dat hij ook maar één poging deed om de Pasok in formeel-democratische zin te structureren. En toen hij in 1981 ten langen leste werd gekozen als premier bleek in de gedachtenwereld van Andreas Papandreou één element dominant te zijn gebleven: zijn overtuiging dat Griekenland zich nog altijd slechts via paternalistische methoden liet regeren.

De gevolgen daarvan zijn nu merkbaar. De politieke infrastructuur in Griekenland is na Papandreou nog altijd broos. De integratie van het land in het Westerse bondgenootschap is wankel. De relatie met de Europese Unie is moeizaam en parasitair. De verhouding tot de buurlanden Albanië, Macedonië en vooral Turkije kenmerkt zich door vruchteloos en gefrustreerd geblaas. En ook de economie van het land is allerminst op orde. Als Griekenland zich de bakermat van de Europese cultuur zou mogen noemen, dan mag Griekenland met recht ook het moeilijkste kind van Europa worden genoemd. HET CENTRAAL COMITÉ van de Pasok heeft nu vorige week Kostas Simitis gekozen als opvolger van Papandreou. Dat de oude man zelf eerder had besloten om de schijn niet langer op te houden, was al positief. Dat zijn volgelingen, die ruim twintig jaar lang naar zijn pijpen moesten dansen, hebben besloten een streep onder het verleden te zetten, is nog positiever. Want Simitis hoort niet tot de hofhouding van Papandreou maar heeft zich altijd relatief onafhankelijk opgesteld. Het kabinet dat Simitis nu moet samenstellen, zal nog veel vingerafdrukken van Papandreou laten zien. Maar het begin van een Griekenland, dat niet meer leeft in de Koude Oorlog en de daaruit voortvloeiende verzetscultuur, is er.