Het Bimhuis siddert bij Ware's Tenderly

Concert: David S. Ware Quartet. Gehoord: 21/1 Bimhuis Amsterdam.

De tenorsaxofonist David Ware, die gisteren na een afwezigheid van vijftien jaar weer optrad in het Amsterdamse Bimhuis, is het levende bewijs voor de stelling dat er in plaats van één overheersende stijl in de jazz, allerlei stijlen naast elkaar bestaan. Sommigen geloven dat de uitputtende freejazz geen bestaansrecht meer heeft sinds de jaren '60, maar zij vergissen zich.

Ware, met in zijn kielzog de iets oudere chaosmuzikant Charles Gayle, bouwen onverstoorbaar verder aan de 'traditie' die door pioniers als Ornette Coleman, Albert Ayler en Roland Kirk is begonnen. Toen reeds aan het eind van de jaren zestig het verlangen naar harmonie weer toenam, leek hun erfenis te worden verkwanseld. Maar zie, Ware en Gayle (en nog een hele groep mindere goden) zijn nooit van dat pad afgeweken. Opmerkelijk is hoogstens de onbewogenheid waarmee het publiek van tegenwoordig hun hemelbestormende jazz tot zich neemt. Alsof het moderne cocktailjazz betreft, alleen dan zonder de mogelijkheid tot aangename conversatie.

Een opvallende overeenkomst tussen Ware en Gayle, die volgende maand naar Amsterdam komt, is dat beiden een interesse hebben voor mystiek, die in hun muziek tot uiting komt in de vorm van een meditatieve bezetenheid. Een cruciaal verschil tussen de twee rietblazers is dat Ware over onmiskenbaar meer techniek beschikt. Zodra muzikanten, hoe geïnspireerd ook, techniek overboord gooien, is de lol er vrij snel af - tenminste voor de luisteraar.

Ware introduceerde eind jaren '80 een veelbelovend concept: het uiteenrafelen van afgezaagde standards, zoals bijvoorbeeld Yesterdays of There will never be another you. Het leek wel alsof hij letterlijk de partituur van die stukken had verscheurd en rechtstreeks uit het hart speelde. Vooral de ballad Tenderly, die hij herhaalde malen opnam, bleek geschikt voor deconstructie.

In het Bimhuis voerde hij deze romantische smartlap uit 1946 opnieuw uit, en zoals verwacht ging er een siddering door de zaal bij de eerste maat van de melodie. Veel meer laat hij daarvan trouwens niet heel. Wel gaat hij gaat een keer of tien het akkoordenschema door, nu eens grommend, dan weer gillend of piepend, maar steeds met een overdonderende power. Geen van Ware's uithalen heeft ook maar de schijn van achteloosheid.

Het overige repertoire is abstracter van aard. Ware ziet steeds vaker helemáál af van thema's, zoals ook blijkt op zijn vorig jaar verschenen cd Cryptology. Toch weet hij in zulke stukken, van twintig minuten of meer, een soort tonaliteit te bereiken, en zelfs een puls, hoewel de 'sheets of sound' die hij de ruimte inswingt op het eerste gehoor atonaal en tempoloos aandoen.

Zijn begeleiders geven in hun soli voortreffelijk weerwerk, met name pianist Matthew Shipp, die een wel heel trefzekere rechterpink bezit, en de ervaren bassist William Parker. Parker's lange bassolo, bestaande uit twee- en drieklanken, klonk zó zachtjes en subtiel, dat hij voldoende compensatie bood voor Ware's vele, harde noten.

    • Viktor Frölke