Herbert Nouwens wankel roest; Japanse eenvoud nagestreeft

Prijzen heeft Herbert Nouwens niet gewonnen in Osaka, maar het doel is bereikt: exposeren in Japan

AMSTERDAM, 22 JAN. Eén enkel stootje lijkt voldoende om de kolossale sculpturen van de Amsterdamse beeldhouwer Herbert Nouwens in elkaar te laten storten. Roestige schotsen scheepswrak en stalen kubussen vormen een wankel evenwicht dat zijn beelden eerder afwerend dan uitnodigend maakt. Hen negeren is onmogelijk. Al is het maar uit louter zelfbehoud.

Nouwens (Oegstgeest, 1954) werd onlangs als enige Nederlander geselecteerd voor de tweede Osaka Triennale voor sculptuur, de Japanse competitie voor hedendaagse kunst waar drie driejaarlijkse tentoonstellingen aan verbonden zijn: voor respectievelijk schilderkunst, fotografie en beeldhouwkunst. Uit de 3.895 inzendingen van 1554 kunstenaars uit 89 landen werden 74 werken geselecteerd, waaronder Hot Margin; in tegenstelling tot Nouwens' dreigende kolossen een opvallend onschuldig stalen beeldje, nauwelijks hoger dan knielengte. Een soort ruimtelijke Japanse kalligrafie.

In de prijzen is Nouwens niet gevallen, die vielen voornamelijk Japanners en andere Aziaten ten deel. Het deert hem niet: “Doel was om mijn werk in Japan te exposeren en dat is gelukt, al was een prijs een goede aanleiding geweest om een aantal dagen in Japan door te brengen. Geen andere cultuur heeft zo'n sterk ontwikkeld stilistisch besef. Wat me boeit is die spaarzame omgang met beeldende middelen.

“In het Westen is die soberheid meer bedacht, minder natuurlijk. Neem Brancusi of Mondriaan, het is veelzeggend dat hun werk indertijd aankwam als een donderslag bij heldere hemel. Terwijl abstractie in Japan met de traditie is vervlochten: je ziet het in hun schrift, in de tekeningen en vakwerkhuisjes uit de zestiende eeuw. Dürer lijkt zich op het zelfde moment vooral druk te maken hoe hij zo natuurgetrouw de haren op een wrat kan tekenen”.

Die Japanse eenvoud streeft Nouwens in zijn beelden na. “Vijftien jaar geleden ontmoette ik de Japans-Amerikaanse beeldhouwer Isamu Noguchi, van hem heb ik veel geleerd. Mijn ideaal is om even simpel en eenvoudig te werken.”

Toch zijn de sculpturen op het terrein van de Amsterdamse Westergastfabriek, waar Nouwens zijn werkplaats heeft, vooral grillig. Verwrongen lappen verweerd staal krullen en golven over gekruiste balken. Een torpedovormig gevaarte, nu nog horizontaal, maar wanneer het in opdracht van de Rijksgebouwendienst voor de penitentiaire inrichting in Zoetermeer wordt geplaatst rechtop, acht meter hoog en net niet loodrecht, heeft lobbige plooien in haar onderbuik.

“Het lukt me op dit moment niet om die uniformiteit te bereiken”, beaamt Nouwens. “Het strookt niet met de realiteit, die is niet harmonisch en evenwichtig, integendeel. Wanneer ik om me heen kijk of bijvoorbeeld op afstand zie hoe de internationale politiek met de oorlog in voormalig Joegoslavië omgaat, zie ik vooral kinderen die lukraak een blokkentoren in elkaar manoeuvreren. Om die reden bestaat mijn werk, denk ik, altijd uit tegenstellingen. Slap én stevig, topzwaar én fragiel, stabiel én gammel.”

Nouwens voltooide zijn opleiding aan de Stadsacademie en de Jan van Eyck-academie in Maastricht en volgde, na een studiereis in China, workshops bij de Cobra-beeldhouwer Shinkichi Tajiri, bij Anthony Caro en diens leerling Tim Scott. De afgelopen tien jaar ontwierp hij voornamelijk sculpturen voor de openbare ruimte, waarmee hij zich zelden bescheiden opstelt tegenover de omliggende gebouwen. Zo plaatste hij tussen twee Amsterdamse gevels een zwarte metalen lijst, ter grootte van het tussenliggende, gesloopte pand. Rechthoekige balken binnen de lijst spelen een gevaarlijk spel met de zwaartekracht, alsof ze elk moment de straat op kunnen tuimelen.

Een veertien meter hoge poort, opgetrokken uit verwrongen scheepswanden, neemt in Amersfoort het aangrenzende Rijksbelastingsgebouw op de korrel. “Dat gebouw is zo voorspelbaar, zo monotoon, ik vond dat ik daar iets spannends tegenover moest stellen. Spannend, in de zin dat je bij vooraanzicht niet kunt vermoeden wat er zich aan de achterkant bevindt. Maar ook fysieke spanning, de dreiging wanneer je eronder door loopt dat de hele constructie boven je hoofd in elkaar stort.”

Schroot en scheepwrakken zijn Nouwens werkmateriaal. “Alle vervormingen en contrasten zitten daar al in”, verklaart Nouwens, “terwijl je die in fabrieksstaal er zelf in moet smeden. Dat is onmogelijk, gezien de grote volumes waarmee ik werk. Neem dat beeld met die brede plooien, die zijn ontstaan doordat dat schip frontaal op een ander is gevaren. De kracht die daar voor nodig is, dat had ik nooit zelf gekund.”