Harry de Wit vertolkt Shakespeare trommelend, zuchtend en schurend

Harry de Wit (1952) is geluidsmaker en uitvinder van toestellen als een windslangorgel en een slagharp. Nu componeert hij de muziek bij de dansopera Hamlet door het Onafhankelijk Toneel.

Hamlet, een dansopera, door het Onafhankelijk Toneel gaat op 24/1 in première in de Rotterdamse Schouwburg.

ROTTERDAM, 22 JAN. Eigenlijk is componist en geluidsmaker Harry de Wit de ultieme Hamlet in Shakespeares gelijknamige tragedie, als dansopera opgevoerd door het Onafhankelijk Toneel in de regie van Mirjam Koen. Geheel in het Hamlet-zwart gekleed beweegt hij zich achter een reusachtig instrumentarium dat links op het podium staat opgesteld. Hij heeft geen tekst, maar wel beschikt hij over een oneindig scala aan trommelende, schurende, zuchtende, wenende, hortende, huilende geluiden. Ook mengt hij zich in het spel, wat zijn rol als acteur vergroot.

“Alles in Hamlet,” vertelt Harry de Wit enkele dagen na een repetitie in Hoofddorp, “heeft met adem te maken. De geest van Hamlets vader wordt bij ons vertolkt door de zanger Frans Fiselier. Tijdens het zingen bespeelt hij de zogenaamde Gangmaker, een uit buizen bestaande constructie waardoor hij met behulp van een compressor de lucht laat stromen en een klagend geluid maakt. Het materiaal is van hout. Daarmee wil ik aansluiten bij de oervorm van geluid, namelijk menselijke adem die een riet in beweging brengt, waarna de klank ontstaat dank zij de akoestische vorm van het houten instrument.

“In trompetten en drums uit de Renaissance vond ik mijn inspiratie voor deze opera. Ik maakte een compositie op papier voor de acteurs, die zowel zanger als danser zijn, en voor hedendaagse en barokinstrumenten, zoals een kromhoorn en een Turkse klarinet. Deze compositie zou je de melodische lijn kunnen noemen. In contrast daarmee staat de ritmische sessie, die door mij live wordt uitgevoerd met trommels en pauken, en alles wat ik daarbij gebruik. Ik ga dus met mijn ritmische instrumenten dwars door dat gecomponeerde raamwerk heen.

“Ik improviseer ook, dat geeft aan de voorstelling een bijzondere spanning. Ik moet naar de zangers luisteren en zij naar mij. Ik moet kijken met mijn oren. Achter mij staat een snarenbak, vele keren groter dan een vleugel. De snaren resoneren het geluid dat ik maak en geven er een melancholieke ondertoon aan. Dan heb ik nog de Newyorker, een skyline van fluiten; er is een batterij verfspuiten, aangesloten op een compressor, waarin kromhoornrieten zijn gemonteerd.”

Harry de Wit noemt zichzelf geen jazzmusicus of componist in de traditionele betekenis van het woord; hij maakt geluiden, bij zijn eigen performances en ook bij theatervoorstellingen, zoals Sweeney Astray door Toneelgroep Amsterdam en De tramlijn die begeerte heet door het Zuidelijk Toneel. In Karlsruhe opende hij drie jaar geleden in een oude munitiefabriek het Instituut voor Muziek en Akoestiek. De talloze duiven die op het dak trippelden en er hun nesten bouwden, brachten hem op het idee Song for the Pigeons te schrijven, een sfeervolle dialoog tussen warm duivengekoer en De Wit's instrumentarium.

“De piano is mijn basis, daarmee begint alles,” vertelt hij. “Terwijl ik de muziek voor Hamlet componeerde zat ik aan de vleugel, tekstboek op de lessenaar, en probeerde ik zo, spelend, dwalend met mijn vingers over de toetsen, de melodieën uit. Ik bleef zo dicht mogelijk bij de tekst, zonder die te illustreren of er een musical van te maken.

“Mijn geluid is als een zelfstandige tekst. De muziek voor de zangers is in mijn studio gemaakt; ik liet ze komen en hun tekst zeggen, en al luisterend ontstonden de melodieën. Het viel me bijvoorbeeld op dat Shakespeare nooit de korte drie- of vierkwartsmaat gebruikt, maar wel accenten legt op de vijfde, zevende en twaalfde tel. Hij eist muzikaal veel van de zangers, juist door die langgerekte, vertraagde telling.”

Eerdere composities voor Hamlet (Duke Ellington, Sjosjtakovitsj) hebben geen invloed gehad op de muziek van Harry de Wit. “Ik maak een doorzichtig environment van geluid, waarin vooral de blaasinstrumenten overheersen. Pas sinds kort zoek ik mijn inspiratie in de melodische lijnen, en niet in het ritme.

“Ik heb in mijn muzikale ontwikkeling ook mijn kleine Hamlet-tragedie gehad. Mijn vader die slagwerker is, koesterde de melodie. Ik, een pianist, wilde vooral het ritme. Altijd conflicten daarover. Ik ging bij een psychedelisch popgroepje, gebruikte de piano als een echt slagwerkinstrument. Onlangs ben ik de waarde van de melodie gaan inzien. En tegelijkertijd van de stilte als onderdeel van de muzikale opbouw.

“Kijk, muzikanten hebben een enorme macht. Ze kunnen eenvoudigweg naar een climax toewerken door alle registers open te trekken, net zoals wanneer een schrijver in één keer zijn vulpen leegspettert. Dat was het dan. Ik wil via stiltes naar een hoogtepunt toe, ik wil stilte kunnen maken die tòch als muziek klinkt. Daarom zitten er in de muziek van Hamlet veel onderbrekingen, momenten waarop ik niets doe, geen geluid maak, maar de stilte nastreef en de acteurs de kans geef volgens hun eigen partituur te zingen”.

Harry de Wit is autodidact. Zijn grootvader speelde in een circusorkest letterlijk elk instrument dat maar nodig was, van accordeon tot klarinet. Zijn beide ouders dansten. Het gevoel voor ritme leerde hij van zijn moeder, die hem als klein kind op haar voeten liet staan. Zo dansten ze de kamer door. Hij vertelt dat hij vorig jaar in Canada was: “Ik gaf er een concert van twee uur voor een paar duizend mensen. Ik speelde en speelde, als in trance. 'Dat leek op Glenn Gould,' zie iemand. Ik wil me niet met hem vergelijken, maar er zit een kern van waarheid in: muziek ontstaat als je weg bent van de wereld, helemaal verdwijnt in de muziek, en tegelijkertijd een grote beheersing behoudt. Die twee krachten staan haaks op elkaar, en tevens kunnen ze niet zonder elkaar. Muziek ontstaat op dat brandpunt.”