GERRY MULLIGAN 1927-1996; Melodieus saxofonist

De zaterdag in Darien, Connecticut overleden Gerry Mulligan was een bekwame bandleider, een knap arrrangeur maar bovenal een formidabel instrumentalist. Gedroeg de baritonsaxofoon zich in de handen van de meesten als een weerbarstig beest, Mulligan wist het instrument zo naar zijn hand te zetten dat zelfs altisten jaloers op hem waren. Daarbij was hij een typische melodicus, altijd bezig met een begrijpelijk 'verhaal'. Er waren collega's die feller swingden of zich alerter toonden op de korte baan, maar er was niemand die zo stijlvol kon koersen, ogenschijnlijk heel lui maar wel zeldzaam lenig.

De in 1927 New York geboren Gerry Mulligan ontpopte zich allereerst als arrangeur. Op zijn 17de schreef hij voor Johnny Warrington's radio band, vervolgens voor de big bands van Gene Krupa, Claude Thornhill en Stan Kenton. Het bekendst werd hij echter met de stukken die hij omstreeks 1950 arrangeerde voor het toenmalige nonet van Miles Davis: Jeru, Rocker en Godchild bijvoorbeeld.

Mulligan speelde in deze groep zelf baritonsax, maar bereikte met dat instrument pas een groter publiek toen hij een pianoloos kwartet begon met de inmiddels legendarische trompettist Chet Baker. De samenwerking duurde niet langer dan een jaar, maar de formule blazers plus bas en drums bleek zo'n groot succes dat Mulligan er nog jaren naar terug bleef grijpen, o.a. met ventieltrombonist Bob Brookmeyer, met wie hij in 1954 optrad in de Parijse Salle Pleyel en '56 in het Kurhaus in Scheveningen.

Wat sterk bijdroeg aan de erkennning van Mulligans talent waren zijn meetings op lp met oudere helden uit de jazz, onder wie Johnny Hodges en Ben Webster. Het fraaiste artistieke resultaat bracht echter in '57 de ontmoeting met altsaxofonist Paul Desmond, slechts drie jaar ouder dan hijzelf. Wat kenmerkend is voor Gerry Mulligans stijl is in deze opnamen optimaal te horen: zijn lichte maar toch warme geluid, zijn niet aflatende melodische inventiviteit, zijn grote vaardigheid in de contrapuntische improvisatie. Typerend voor Mulligan was ook zijn nogal ouderwetse ritmische concept, meer verwant aan de swingmuziek uit de jaren '30, met name die van Lester Young, dan aan de bebop-stijl van zijn jongelingsjaren.

Van tijd tot tijd leidde Mulligan ook grotere bezettingen, al was het maar om zijn arrangeerlust te kunnen bevredigen. Zo had hij een tijdje een 14-mans Concert Jazz Band waarmee hij ook in Nederland optrad. De tijd keerde zich echter steeds meer tegen grote jazzbands; de Beatles en de Beach Boys kwamen er aan en in hun voetspoor volgden honderden rockbands, de een nog hipper dan de ander.

Dat er voor Mulligan ondanks alles altijd werk bleef, was te danken aan zijn grote flexibiliteit. Een voorbeeld daarvan was de plaat die hij in '74 maakte met de Argentijnse bandoneón-speler Astor Piazzolla. Ook experimenteerde hij een tijdje met electronica alvorens in '86 terug te keren naar de oude tijd toen oordopjes nog niet behoorden tot de muzikale bon ton. Tot genoegen van oude en nieuwe fans, bijvoorbeeld op het North Sea Festival in Den Haag, waar Gerald Joseph 'Gerry' Mulligan ondanks zijn dunne hoofdhaar en spierwitte baard telkens weer zijn 25ste verjaardag leek te vieren. Op basis van hetzelfde evangelie als toen: jazzmuziek, dat is gewoon van je één, twee, drie, vier, met daarboven een mooie melodie, welzeker swingend maar niet te heftig.

    • Frans van Leeuwen