Delft: 'Bezuinigen? Een blessing in disguise'

De overheid heeft minder geld voor het hoger onderwijs. Volgende week neemt de Kamer een besluit over het Hoger-onderwijs- en onderzoeksplan (HOOP) van minister Ritzen (onderwijs). Het motto: studeren is investeren in jezelf. De universiteiten bereiden zich voor op veranderingen: minder geld, meer concurrentie. Hendrik Spiering sprak met twee universiteitsbestuurders.

Werkmaatschappijen van faculteiten; 'earning capacity' van wetenschappers; 'tijdschrijven'; een kleine 'concernstaf'; een 'bedrijvenservicecentrum'. De hoogste bestuurder van de Technische Universiteit Delft, N. de Voogd, afkomstig uit het bedrijfsleven, staat er niet voor niets om bekend dat hij bezig is zijn universiteit te veranderen in 'een bedrijf'. Twee tot vier jaar geeft hij de TU nog voor de cultuurverandering die hij wenst. “Niemand mag meer voor 100 procent zeker zijn van zijn budget.”

De studentenaantallen lopen terug en de overheid heeft minder geld beschikbaar maar stelt tegelijkertijd steeds hogere eisen aan het onderwijs en onderzoek. Bedreigingen? De Voogd noemt de rijksbezuinigingen een 'blessing in disguise'. “De rijksbijdrage zal altijd onmisbaar blijven, maar ik heb liever een relatie met het bedrijfsleven. En natuurlijk wil ik best meer geld. Maar waar moet dat vandaan komen? Van de sociale zekerheid? Van de wegenbouw?”

Net als veel andere universiteiten wil ook De Voogd vijf of zes 'clusterfaculteiten' in plaats van de bestaande dertien faculteiten. En van de huidige 270 personeelsleden op het centrale bureau blijven maar 50 man als 'concernstaf' over. De Voogd: “Dat zijn dus ongeveer de mensen die ik nu toch al iedere dag zie.” De rest wordt 'gedecentraliseerd' naar de faculteiten. Maar waarschijnlijk zal het 'informatiemanagementsysteem' dat De Voogd wil gaan installeren sneller en beter de 'flexibiliteit' en de 'mobiliteit' van het bestuur versterken dan 'grote reorganisaties'. Met een 'managementcomputernetwerk' zal een docent kunnen zien hoeveel geld hij in kas heeft en hoeveel hij nog mag uitgeven, wanneer hij maar wil. Nu moet hij voor vrijwel alle uitgaven telkens permissie vragen aan de faculteitsbestuurder. De manager kan in het systeem beter overzien waar en hoeveel er wordt uitgegeven. De Voogd: “Meer mogelijkheden tot controle, minder rompslomp en grotere vrijheid.”

Dit jaar zal een adviescommissie, waarin ook het bedrijfsleven vertegenwoordigd is, de TU rapport uitbrengen over de èchte zwaartepunten van onderzoek. “Wat heeft de samenleving nodig? Waarop willen we concurreren? Wat is nuttig?” De Voogd wil op de uitkomsten niet vooruitlopen, “maar dat kolenmijnbouw geen prioriteit zal krijgen lijkt me duidelijk.” Een ander plan is om alle onderzoek in opdracht van derden (de 'derde geldstroom') onder te brengen in een 'bedrijvenservicecentrum'. In dat 'centrum' zullen 'vennootschappen' werken als werkmaatschappijen van de faculteiten. “Onze missie is om de omzet aan derdegeldstroom te verhogen van 100 tot 150 miljoen gulden per jaar - op een budget van in totaal 700 miljoen gulden. En dat moet perfect worden geadministreerd. De essentie is dat precies wordt bijgehouden hoeveel tijd van de wetenschappers en van de apparatuur opgaat aan dat onderzoek.” Die uitbreiding van inkomsten en omzet moet lukken, denkt De Voogd. “De trend bij bedrijven als Shell en Unilever is: outsourcen van onderzoek. Het is veel goedkoper om dat uit te besteden dan zelf grote laboratoria te onderhouden die als je niet oplet alsmaar uitdijen.” De verscherping en uitbreiding van het derdegeldstroomonderzoek gaat niet ten koste van het onderwijs, vindt De Voogd. “Dat blijft onze kerntaak, onze reden van bestaan. En studenten zullen er juist van profiteren, alleen al door de betere contacten met het bedrijfsleven. Ze zullen aan een veel dynamischer TU kunnen studeren.”

Volgend jaar moeten de Delftse wetenschappers ook buiten het derdegeldstroomonderzoek gaan 'tijdschrijven': op formulieren bijhouden waaraan ze hun tijd besteden: onderzoek, onderwijs of bestuur. “We willen weten hoeveel earning capacity aan die verschillende taken wordt besteed.” Civiele Techniek werkt er al mee. “Dat leidt soms tot perplexe vragen. Zoals van die hoogleraar die zijn 70 werkuren niet kon invullen op het formulier dat uitgaat van 38 uur per week. Maar dat lossen we wel op.”