Ambassade in Jordanië is verkeerde keus

Soms durven vooraanstaande onderdanen van koningin Beatrix, vooral als zij in het staatsrecht zijn gespecialiseerd, wel eens te twijfelen aan de invloed van Hare Majesteit op het regeringsbeleid. Dan hebben ze het niet over de rol van het staatshoofd bij kabinetsformaties. Erkend wordt dat haar invloed dat proces kan sturen.

De ministeriële verantwoordelijkheid behoort er borg voor te staan dat ministers het geheim van het paleis Noordeinde (werkpaleis van de koningin) strikt bewaken, om te voorkomen dat het staatshoofd en haar invloed onderwerp zouden worden van politieke discussie. Maar begin deze week lukte dat minister Van Mierlo niet helemaal. Tijdens zijn bezoek aan de Jordaanse hoofdstad Amman liet de minister van buitenlandse zaken zich tegenover journalisten ontvallen dat het besluit om een Nederlandse ambassade in dit land te vestigen, was genomen omdat koningin Beatrix daarop had aangedrongen. “Koninklijke wensen zijn uitermate belangrijk”, zei de minister. Om budgettaire redenen kon hij daaraan aanvankelijk niet tegemoetkomen, want het kabinet gaf de voorkeur aan meer ambassades in Midden- en Oost-Europa. Maar de koningin gooide in 1994, direct na het aantreden van Van Mierlo in het nieuwe paarse kabinet, de hartelijke betrekkingen tussen het Nederlandse koningshuis en de Hasjemitische koninklijke familie van Jordanië in de strijd.

Zo'n argument is nergens met zoveel woorden te vinden in de overwegingen die de Tweede Kamer in 1991 in een brief van de toenmalige minister van buitenlandse zaken Van den Broek kreeg voorgeschoteld, onder de tussenkop 'Besluitvormingsproces inzake posten in het buitenland'. In onovertroffen ambtelijk jargon wordt hier melding gemaakt van een nauwe verwevenheid “met de afweging van het belang van de relatie met de desbetreffende landen”, beschikbare financiële middelen, “deels exogeen bepaalde, en slechts beperkte kwantificeerbare en onderling weegbare factoren” en “diplomatieke en specifieke omgevings- en tijdgebonden factoren”.

Een wijdere mantel is nauwelijks denkbaar. Maar in de eerste plaats behoren diplomatieke relaties toch in dienst te staan van Nederlandse politieke en economische belangen. Minister Van Mierlo had dat ook bedacht, toen hij tijdens het staatsbezoek aan Jordanië vorig jaar de waterloopkundige werken tussen de Rode Zee en de Dode Zee bezocht. “Ik dacht: waterloopkundige werken zonder Nederland, dat is onmogelijk”, aldus Van Mierlo. “Dat was het moment” waarop hij zwichtte voor de aandrang van het staatshoofd en tot een herschikking van prioriteiten besloot. Maar volgens Buitenlandse Zaken moeten zijn opmerkingen over de koninklijke druk “in een veel bredere context” gezien worden.

Een veel belangrijker argument kan zijn de rol die Jordanië speelt in het vredesproces in het Midden-Oosten, maar het is de vraag of daarvoor, en voor intensievere koninklijke relaties, een volledig opgetuigde ambassade nodig is. Jordanië en Israel zijn immers krachtens hun vredesakkoord van onderlinge vijanden veranderd in formele vrienden. Op geringe afstand van Amman, in Tel Aviv, resideert een Nederlandse ambassadeur die ook geaccrediteerd is bij de Palestijnse Autoriteit in Jericho. En iets verderop, in Damascus, nòg een. Syrië is voor Israel nog het hol van de leeuw, maar deze twee ambassadeurs moeten met hun medewerkers toch in staat zijn alle ontwikkelingen in het vredesproces voor Den Haag in kaart te brengen. Mochten zij mankracht tekortkomen bij de rapportage, dan is er nog de ambassadeur in Kairo die zijn sporen in de Arabische wereld heeft verdiend.

Overigens staan de economische relaties tussen Nederland en Jordanië nog op een zeer laag pitje. Nederlandse bedrijven zijn niet of nauwelijks actief, al is volgens Buitenlandse Zaken in Jordanië een “groot aantal projecten gepland dat voor het Nederlandse bedrijfsleven interessant kan zijn”.

Bedrijven kunnen echter bij het verwerven van orders ook hulp krijgen van de Europese Unie die over fondsen voor projecten in het gebied beschikt. Enkele jaren geleden bezocht ik Hare Majesteits consulaire vertegenwoordiger van Nederland, de zakenman dr. Abu Jabr, in zijn met kleurenfoto's van Beatrix en Claus behangen kantoor in Amman. Hij verzekerde me veel tijd te besteden aan de bilaterale betrekkingen en de uitwisseling van boodschappen tussen de koningshuizen. Overigens had Jabr het niet erg druk, want zijn bierbrouwerij die onder licentie Amstelbier maakt, werd geleid door een medewerker.

Dit jaar zal minister Van Mierlo uit zijn bescheiden budget 4,5 miljoen gulden voor de ambassade in Amman moeten reserveren, in 1997 2,3 miljoen en vervolgens elk jaar zo'n 1 miljoen voor salarissen en andere lopende kosten. Koning Hussein en zijn familie zullen dankbaar zijn, maar een steuntje in de rug voor onze bilaterale betrekkingen met een hele reeks nieuwe republieken in Oost-Europa zou voor het nationale Nederlandse belang van meer gewicht zijn.

    • Theo Westerwoudt