Wederopbouw is in Bosnië cruciaal voor de vrede

SARAJEVO, 20 JAN. Het gas van Sarajevo stinkt weer. Door de Bosnische oorlog waren de oude installaties waarmee een chemische geurstof aan het reukloze aardgas wordt toegevoegd niet meer bruikbaar. Gaslekken in het krakkemikkege buizenstelsel van Sarajevo bleven zo onopgemerkt en dat gaf en toe een flinke knal, brand en niet zelden dodelijke slachtoffers. Met Amerikaans geld heeft een Nederlands bedrijf de nieuwe apparatuur gekocht en geïnstalleerd. Daarmee zit een kleine Bosnische bouwsteen op zijn plaats.

De burgeroorlog heeft van de oude Bosnische economie weinig heel gelaten. De voorlaatste serieuze herstelplannen, uit maart 1994, liepen voortijdig spaak toen de oorlog een paar maanden later opnieuw in volle hevigheid uitbrak. Het enthousiasme onder donoren en investeerders was al die tijd al niet groot geweest: wat hun geld tot stand bracht werd meestal kort erna weer kapotgeschoten. Zelfs in gebied waar het langere tijd relatief rustig was, zoals Kroatische delen van Bosnië, stagneerde de wederopbouw vaak door financiële of bureaucratische machinaties. “We hebben een valse start gemaakt”, zegt Silvana Martic, technisch directeur van het wederopbouwbureau voor Sarajevo. “De beginfase met noodhulpprojecten is eigenlijk nooit afgesloten.”

Als het goed is heeft 'Dayton' een permanente ommekeer gebracht; de strijdende partijen lijken ten slotte geconcludeerd te hebben dat de prijs van oorlog hun te hoog is geworden. Zij trekken zich terug langs de bestandslijnen. Maar alleen als zij ook hun andere beloften nakomen - zoals de uitwisseling van gevangenen, het toelaten van vluchtelingen en respect voor de mensenrechten - ontstaat de rust waarin de inwoners van Bosnië hun ontspoorde levens weer kunnen oppakken.

De wederopbouw van Bosnië moet nog goeddeels beginnen, maar die van Carl Bildt, de nieuwe coördinator ('Hoge Vertegenwoordiger') voor de civiele reconstructie, is aardig gelukt. De afgelopen weken was nog een krachtig zagen te horen aan de stoel van de Zweedse oud-premier. De Bosnische regering en het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken verweten Bildt dat hij kerstvakantie hield en over geldgebrek zeurde in plaats van aan de slag te gaan. Hij had zelfs nog geen kantoorruimte gehuurd in Sarajevo.

Inmiddels hebben de Amerikanen bakzeil gehaald; Bildt had alles kunnen uitleggen en was “met frisse energie aan de slag gegaan”, zei een woordvoerder van het State Department vorige week. En die zaak met zijn kantoor is ook opgelost. De Hoge Vertegenwoordiger heeft voor zijn staf een verdieping gehuurd in het aan flarden geschoten gebouw van de elektriciteitsmaatschappij Feroelektro in het centrum van Sarajevo.

De internationale contactgroep voor Bosnië vergaderde er donderdag nog in een zaaltje waarvan de ramen waren afgeplakt met de stukken ondoorzichtige kunststof die de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) in heel Bosnië heeft verspreid. Maar de kantoortjes aan de overzijde aan de gang hebben inmiddels allemaal nieuw glas. De oude ruiten, gesneuveld door sluipschutterkogels en granaten, liggen nog in scherven en splinters op de vloer. Maar op de doorzeefde bureaus zoemen kleine computertjes en energieke stafleden lopen in en uit met draagbare radio's, mappen onder de arm en gezichten die maar één ding uitstralen: zaken doen.

“De oorlog is in theorie voorbij, maar dat is nog niet echt tot de inwoners van Bosnië doorgedrongen”, zegt de Duitse diplomaat Michael Steiner, Bildts tweede man en directeur van het kantoor in Sarajevo. “Daarom moeten we onze eerste 500 miljoen dollar nu zo snel mogelijk omzetten in de aanleg van elektriciteit, waterleiding en telecommunicatie. Zo zien de mensen onmiddellijk wat vrede oplevert en dat versterkt hun vertrouwen in het vredesakkoord van Dayton. Pas daarna kunnen we beginnen te denken over projecten voor de langere termijn, zoals herstel van de industrie.”

De partijen kunnen alleen aanspraak maken op geld voor wederopbouwprojecten als zij doen wat zij in Dayton hebben beloofd. Als de Serviërs weigeren mee te werken aan onderzoek door het Haagse tribunaal voor oorlogsmisdaden, houdt de internationale gemeenschap - afgezien van noodhulp - de hand op de knip. In dat geval komt het meeste geld terecht bij de andere partijen. Steiner en andere organisatoren van de wederopbouw noemen dat onwenselijk. “Het is niet goed voor de vrede als de bulk van het geld om die reden bij de regering in Sarajevo terechtkomt”, zegt een Europese coördinator.

Een ander sluipend gevaar voor reconstructie is de formele verdeelsleutel. De partijen maken nu aanspraak op eenderde van het beschikbare geld, maar de oorlogsschade is niet overal even groot. “Herstel van aangerichte schade moet de norm zijn bij het toewijzen van geld”, zegt de Nederlander Pierre Verstraelen, sinds 1992 verantwoordelijk voor herstel van het waterleidingnet van Sarajevo en nu coördinator voor alle waterprojecten in heel Bosnië. Op zijn verzoek hebben Franse IFOR-troepen deze week het pompstation van Bacevo bezet. Het station, op Servisch gebied, levert negentig procent van het drinkwater van Sarajevo. Verstraelen zit niet te wachten op een bomaanslag op Bacevo in de aanloop naar de overdracht van Servisch gebied aan de moslim-Kroatische federatie. “Met de lokale Serviërs heb ik de hele oorlog redelijk goed kunnen samenwerken, die vertrouw ik wel”, zegt Verstraelen. “Maar dat geldt niet voor het leger en daarvan afgeleide groepen.”

Vertrouwen van de Serviërs in de internationale gemeenschap is ook een voorwaarde voor een succesvolle reconstructie, zegt Michael Steiner. “Een meerderheid van de Serviërs weet absoluut niet wat 'Dayton' inhoudt”, zei de architect van het vredesakkoord, de Amerikaanse diplomaat Richard Holbrooke donderdag in Sarajevo. IFOR heeft daarom bijvoorbeeld honderdduizenden landkaarten laten drukken waarop de bestandslijnen te zien zijn. Bildt verschijnt dezer dagen op de Bosnisch-Servische televisie om 'Dayton' uiteen te zetten.

“De Bosnische Serviërs zijn verward en bezorgd over hun veiligheid en dat is begrijpelijk”, zegt Steiner. “De [moslim-Kroatische] federatie heeft het recht om zijn haar gezag in de Servische wijken van Sarajevo te vestigen, maar de Serviërs hebben het recht daar vrij van vrees te wonen. Houden zij hun eigen burgemeesters? Krijgen zij een eigen politiemacht, zoals ze willen? Pas als zulke vragen zijn opgelost kunnen ze nadenken over een verdere toekomst.”

De politiekwestie lijkt overigens uit te monden in een compromis. Volgens Steiner komt er waarschijnlijk een geheel nieuwe politiemacht voor het kanton Sarajevo, waarin moslims en Serviërs - in nieuwe uniformen - gezamenlijk gaan patrouilleren. Alleen over de insignes zal nog een robbertje gevochten moeten worden.

Sommige pragmatici beweren dat de Bosniërs blij moeten zijn dat de oorlog hen heeft verlost van hopeloos verouderde, inefficiënte en vervuilende fabrieken. Niet repareren, maar vervangen door iets beters, zeggen zij. “De meeste door de oorlog verwoeste industrie was rommel uit de jaren zestig, daar is niets aan verloren”, zegt Steiner. Sterker: doordat de industrie vier jaar lang heeft stilgelegen zijn bijvoorbeeld sommige zwaarvervuilde rivieren weer schoon geworden. Met smaak vertelt Steiner dat een minister van de Bosnisch-Servische regering hem serieus heeft voorgesteld dat zijn land zich gaat toeleggen op het biologisch telen van groente en fruit. Daar zijn de Bosnische Serviërs meesters in geworden, zei hij, omdat ze in de oorlog geen geld hadden om bestrijdingsmiddelen te kopen. Paprika's uit Pale en bonen uit Banja Luka in de Groene Winkel.

Bildt en de organisaties die hij coördineert zullen een middenkoers sturen: een deel van de oude industrie zal moeten worden opgelapt al was het alleen maar om de mensen werk te geven. Intussen zullen zij vooral proberen kleine, particuliere bedrijfjes te helpen, die in het lage-lonen-land Bosnië goed zouden kunnen boeren. Bildt en Steiner willen voorkomen dat de cultuur van de logge staatsondernemingen, die ook in de rest van communistisch Oost-Europa de dienst uitmaakte, zich na onderbreking van de oorlog in Bosnië zou voortzetten.

Pierre Verstraele doet daar tamelijk laconiek over. Per project heeft hij vanaf april 35 tot 70 miljoen dollar van de Wereldbank en andere donoren te vergeven. “Het is heel eenvoudig”, zegt hij. “Ze krijgen geen nieuw geld voordat het oude precies zo is besteed als wij willen.”

    • Hans Steketee