Voetbal, moeder van alle kennis

Het is allemaal zo simpel. Wie voetbalwedstrijden uitzendt trekt de meeste kijkers, wie de meeste kijkers trekt, trekt de meeste adverteerders, en wie de meeste adverteerders trekt, zit in ons geprivatiseerde landje op de beste plek en kan zijn medewerkers de hoogste honoraria uitbetalen.

En wie dat kan, heerst in medialand. Voetbal is zo de moeder van alle informatie geworden. En het zou daarom vanuit kennissociologisch oogpunt niet vreemd zijn als voetbal in onze samenleving de moeder van al het weten werd.

Justitie-baas Doctors van Leeuwen verkondigde onlangs al dat de waarheid rond het aftreden van Van Randwijck slechts begrepen kon worden als men de hele affaire zag als een voetbalwedstrijd, met de aanval- en verdedigingstaktieken die daarbij horen. Meer wilde hij er niet over kwijt. Maar het was duidelijk uit welke bron deze hoogbegaafde allesweter gedronken had: Louis van Gaals 'Basisleerboek voor oefenmeesters'.

Doctors van Leeuwen is natuurlijk niet de enige. De inzichten van Van Gaal worden de laatste jaren duizendvoudig vermenigvuldigd in de talloze bijscholingscurssussen teambuilding & teammanagement waar iedere Nederlandse werknemer vroeg of laat door zijn baas heengestuurd wordt. Daarnaast is het opmerkelijk dat het voetbal in de letterkunde steeds vaker opduikt als inspiratiebron en zelfs aanleiding is tot schoolvorming. Zie het tijdschrift Hard Gras dat door kenners als het meest vernieuwende blad sinds De Revisor wordt beschouwd.

Kijken naar voetbal, lezen over voetbal, nadenken over voetbal, schrijven over voetbal, het zijn voor steeds meer mensen de enige strategieën waarmee men zich nog kan oriënteren in onze stuurloze samenleving. Voetbal verschaft hen daarvoor klaarblijkelijk de bruikbaarste metaforen, en is door de alomtegenwoordigheid in de media ook het meest toegankelijk van alle andere paradigmata. En, wat in onze afgeplatte maatschappij van groot belang is, veel opleiding is er niet voor nodig.

Het is duidelijk dat deze ontwikkeling ook voor de politiek grote gevolgen heeft. Politici die voor hun achterban begrijpelijk willen blijven zullen zich steeds meer als voetballers moeten gaan gedragen. Als professionele sporters die beseffen dat ze door het publiek in laatste instantie niet afgerekend worden op hun goede bedoelingen, maar op het aantal keren dat ze bal in het hok gekregen hebben.

In het voetballerij is dit laatste mede afhankelijk van de kwaliteit van de medespelers, en die kwaliteit is weer afhankelijk van de kwaliteit van de coach. Een sportman die vooruit wil, is daarom steeds op zoek naar het beste team, en het beste team is voortdurend op zoek naar de beste coach, en de beste coach speurt constant naar de beste spelers. Dit transfersysteem zorgt voor een levendig verkeer van talent, kansen en geld, voor beter voetbal en, omdat de bal rond blijft, ook voor steeds wisselende kansen waardoor het spelletje aantrekkelijk blijft. Een voetballer die hier niet aan meedoet, maar om redenen van geloof of clubliefde zijn hele carrière bij een vereniging slijt is niet goed met zijn vak bezig en wordt mischien alleen door de terreinknecht gewaardeerd.

In de politiek is men nog niet zover. Daar staan clubliefde, geloof, en vaker nog een gebrek aan zelfvertrouwen, een professionele ontwikkeling van het vak in de weg. De meeste politici blijven gedurende hun actieve loopbaan angstvallig achter de rokken van de eigen partij. Daardoor kwijnt heel wat politiek talent weg, zonder dat men dat zelf beseft. Hoeveel beter zouden de meeste politici niet in een andere partij tot hun recht komen! De voltallige CDA-fractie is daar op dit moment een mooi voorbeeld van. Voor wie deze ploeg zo gedemotiveerd in de banken ziet hangen is het duidelijk dat de leden elkaar stuk voor stuk in de weg zitten. Hoeveel politieke kwaliteit op deze manier verloren gaat laat zich moeilijk schatten. Maar dat onze democratie bij zoveel verspilling niet gebaat is, is duidelijk.

Gelukkig biedt de paarse omwenteling perspectieven om de voetballerij ook op dit punt meer na te volgen. In het kabinet zelf zitten al een aantal politici die een aardig transferverleden hebben. Melkert, Dijkstal, Sorgdrager en Nuis om er een paar te noemen. Weliswaar werd dat bij het aantreden afgedaan als jeugdzonde (het links-radicale verleden van VVD-er Gerrit Zalm bijvoorbeeld) maar de boodschap die daar achter klonk was duidelijk: wij van paars letten niet op bloedgroepen, maar op prestaties. Verandering van politieke kleur is in het paarse concept eerder een teken van professionele kwaliteit, dan van wijfelmoedigheid of onbetrouwbaarheid.

Laten we hopen dat deze opvatting aanslaat bij de de rest van de volksvertegenwoordigers. Want een belangrijke voorwaarde om de politiek in onze voetbalmaatschappij overeind te houden is dat het publiek begrijpt dat het hier ook gaat om de punten. Een goed functionerende transfermarkt legt daarvoor de basis. Het weghalen van talent bij de tegenstander, het inhuren van succestrainers, het doorverkopen van overtollige spelers aan kleinere verenigingen, het zijn net als in het voetbal evenzovele manieren om de aantrekkelijkheid van het democratisch machtspel te verhogen, en uiteindelijk de kwaliteit van de besluitvorming te vergroten.

In 1996 zou de staatkundige vernieuwing, die paars ons nog steeds schuldig is, daarmee kunnen beginnen. De KNVB zal voor het ontwerpen van een deugdelijk reglement graag een sportjurist willen uitlenen. En stel dat zo'n tranferregeling nog voor de zomer rond is, dan kan het CDA voor het nieuwe seizoen eindelijk Paul Rosenmöller als oppositieleider aankopen.

Op voorwaarde natuurlijk dat de tranfers van de Hoop Scheffer en Heerma naar respectievelijk de VVD en het AOV genoeg opbrengen.

    • Jaap Boerdam