Verliefd op geheimen

CHRISTOPHER ANDREW: For the President's Eyes Only. Secret Intelligence and the American Presidency from Washington to Bush

660 blz., Harper Collins 1995, ƒ 73,50

De anekdote gaat als volgt. Midden in een lezing in Londen over het werk van de Britse geheime diensten staat plotseling een toeschouwer op het balkon van de zaal op en begint heftig te protesteren. In de zaal zijn prominente Britse auteurs op het gebied van de geschiedenis van de Britse inlichtingen- en veiligheidsdiensten, zoals Nigel West en Christopher Andrew, aanwezig. De protesterende toeschouwer gooit allerlei streng geheime documenten vanaf het balkon de zaal in. In het zeer gesloten Verenigd Koninkrijk is dit een buitenkans van jewelste en de meeste toeschouwers storten zich vol overgave op het materiaal. Behalve West en Andrew, die blijven stokstijf zitten. Zij willen hun handen er niet aan branden. Het is een verhaal dat de gezindheid van beide schrijvers treffend weergeeft. Ze zijn geen tegenstanders van inlichtingendiensten, noch zouden zij de gevolgde officiële beleidslijn van de Britse overheid willen doorbreken.

Christopher Andrew is hoogleraar moderne geschiedenis in Cambridge en heeft al vele publikaties op het terrein van 'intelligence' op zijn naam staan. Zijn recentelijk verschenen For the President's Eyes Only vormt, ondanks een soms weinig kritische stellingname, een niet geringe bijdrage aan de geschiedenis van het werk van de inlichtingendiensten in de VS, in het bijzonder waar het de relatie behandelt van de verschillende presidenten met de 'intelligence community' en de wisselwerking tussen beiden. Voor zijn studie heeft Andrew gebruik kunnen maken van divers materiaal uit overheidsarchieven, documenten die veelal zijn gepubliceerd in de serie Foreign Relations of the United States of zijn losgeweekt door academici en journalisten op basis van een beroep op de Freedom of Information Act. Hij heeft dit rijke materiaal aangevuld met interviews met medewerkers op hoge posities in de wereld van de geheime diensten. Als prominent historicus had hij hier gemakkelijk toegang.

Misbruik

In zijn boek schetst Andrew, beginnend bij George Washington en eindigend bij George Bush, hoe diverse presidenten gebruik en óók misbruik hebben gemaakt van het inlichtingenwerk. Maar ook wordt zichtbaar hoe in de hoogste echelons is omgegaan met het produkt 'intelligence', dat door de verschillende inlichtingendiensten op het Witte Huis is afgeleverd.

Andrews beschrijving van Washington, Wilson en Hoover is aardig, maar zijn boek komt pas echt op gang bij president Roosevelt. Deze had een voorliefde voor de bestudering van de rapporten van spionnen, maar toonde weinig aandacht voor het prachtige materiaal dat via het afluisteren en breken van de Duitse en Japanse codeberichten werd verkregen. De Amerikaanse intelligence community kreeg onder Truman zijn definitieve gestalte, maar juist deze president had nagenoeg geen affiniteit met het werk van de diensten. Eisenhower daarentegen had er, gezien zijn ervaringen in de oorlog, juist een grote voorliefde en belangstelling voor. Vooral de inzet van signals intelligence (afluisteren van elektronisch- en communicatieverkeer) en luchtverkenning trok zijn aandacht en het is dan ook niet verbazingwekkend dat een project als de bouw van het U-2 spionagevliegtuig onder zijn presidentschap werd geëntameerd.

Kennedy, wiens personele entourage op het Witte Huis door een wat oudere beleidsadviseur ooit werd omschreven als de 'the damnest bunch of boy commandos running around', had, passend bij zijn presidentiële macho-stijl, een voorliefde voor geheime operations. Die voorkeur werd door zijn broer Robert gedeeld, en de pogingen van beiden om bijvoorbeeld Fidel Castro via een geheime operatie uit de weg te ruimen waren dan ook legio. Toch had Kennedy juist van de vluchten van de U-2 en de opkomende satellietverkenning meer profijt dan van die 'covert operations', omdat de vluchten duidelijk maakten dat Moskou nog steeds ver achter lag op militair-strategisch gebied.

Nixon en Johnson maakten vooral voor binnenlandse doeleinden gebruik van de geheime diensten, waarbij hun belangstelling meer uitging naar het werk van de FBI dan naar dat van de CIA.

Met graagte consumeerden zij dagelijks informatie over personen, intriges en binnenlandse affaires. Zowel Ford, die te kampen kreeg met grotere bemoeienis van het Congres met het werk van de geheime diensten, als Carter en zeker Reagan en Bush waren grote 'liefhebbers' van intelligence en maakten er veel gebruik en soms dus ook misbruik van. Andrew beschikt bij zijn betoog over de laatste presidenten nauwelijks over archiefmateriaal en doet daarom vaak een beroep op interviews en niet altijd even betrouwbare memoires.

Dat Andrew het werk van geheime diensten niet altijd met het vereiste kritische oog beschouwt, wordt onderstreept door de keuze van de behandelde onderwerpen en het gebruikte materiaal. Aan sommige pijnlijke gebeurtenissen, zoals de bedenkelijke rol van de CIA bij het bloedbad in Indonesië in 1965, besteedt hij geen enkele aandacht en uit de secundaire literatuur blijkt dat hij kritische studies over de CIA, zoals de boeken van Philip Agee en/of Louis Wolf, domweg niet heeft opgenomen. For the President's Eyes Only geeft een goed inzicht in werkwijze en invloed van de Amerikaanse inlichtingendiensten, maar de schrijver is toch een iets te keurige historicus die in dit wereldje blijkbaar nog langer mee wil.

    • Cees Wiebes